zondag 10 juli 2016


Stropdas en beton

Meneer O, de vader van een ex-vriendin, was een gedrongen man met het zilvergrijze haar strak achterover gekamd. Hij werkte als verkoper in een Hilversumse bedrijfskledingzaak. Jaar in, jaar uit ging hij elke werkdag om tien voor halfnegen ’s ochtends van huis om naar de winkel in het centrum te fietsen. Zijn aktentas met lunchtrommeltje onder de snelbinder. Klokslag zes uur ’s avonds begon hij in omgekeerde volgorde aan dezelfde route. Gedurende de tussenliggende uren hielp hij – in donkergrijze broek met daarop een lichtgrijs lamswollen vest over een wit overhemd en stropdas  – de clientèle aan passende kledij. In het geval een broek of jasje correctie behoefde, speldde hij het kledingstuk af, waarna het door de huisnaaister werd vermaakt. Van een tot halftwee ging de winkeldeur op slot. Dan at hij zijn boterhammen, zittend op een krukje achter de toonbank. Op een grapje of frivoliteit hebben noch de naaister noch de klanten hem ooit kunnen betrappen, daarvoor was het werk te serieus. Eigenlijk wérkte meneer O niet in de winkel, hij wás de winkel, het hele jaar rond. Dat wil zeggen: bijna rond. Want tegen augustus brak altijd weer het moment aan waarnaar hij lang had uit-gekeken. Als hij dán op vrijdag om zes uur afsloot, verkeerde hij in een compleet andere stemming. Dan fietste hij aanmerkelijk sneller naar huis. Daar trok hij dan in één lange ruk zijn stropdas los om die triomfan-telijk aan een speciaal daarvoor bestemd haakje te hangen. Dat bevond zich midden boven in de doorloop van de voor- naar de achterkamer. Steevast sprak hij dan de gedenkwaardige woorden: ‘Zo, die gaat de eerste twee weken niet meer om!’ Vervolgens nam hij dan plaats in zijn fauteuil bij het raam, legde zijn armen op de armleuningen om met ingehouden enthousiasme te roepen: ‘Vakantie!’ Twee weken later was het gedaan met de pret en deed hij zichzelf weer de das om.
Eens, op een doordeweekse avond, was ik met mijn vriendin uitgeno-digd om te komen eten. Haar moeder had – waarschijnlijk om mij te plezieren – extra veel werk gemaakt van het etentje. Alle tafelgenoten waren het er over eens dat zij geweldig had gekookt. ‘Vind jij het ook lekker, Pa?’ wilde de kok van haar man weten. ‘Prima hoor!’ was zijn adequate antwoord. Toen er tijdens het dessert werd aangebeld, liep de heer des huizes naar de voordeur. Hij opende het deurraampje en vroeg aan het meisje op de stoep: ‘Ja, wat is er?’ Zij  antwoordde: ‘Dag meneer. Ik kom voor Jantje Beton.’ Waarop de onwetende reageerde: ‘Die woont hier niet!’ Meteen daarop deed hij het raampje met een klap weer dicht. Meneer O: klein van gestalte, groots in zijn daden.
(c) Frans Lasès

zondag 3 juli 2016


Stabiliteit (3)
In de wachtruimte van het militair hospitaal voel ik mij geobserveerd. Het duurt lang eer ik word binnengeroepen in een spreekkamer. Achter een immens bureau zit een militair in doktersjas. ‘Zou jij je baret niet eens afzetten?’ vraagt de man bars. ‘Sorry meneer,’ zeg ik en leg het ding op het bureau. Maar dat blijkt niet de bedoeling. Hij wil weten wat mij precies mankeert. Ik zeg dat ik geen idee heb. Dat ik dolgraag wil, maar dat het niet lukt. En ook dat ik de jongens om mij heen leuk vind, maar dat het er zo veel zijn. De man maakt aantekeningen en vraagt zonder van zijn papier op te kijken: ‘Gesteld dat ik jou heel alleen zou opsluiten in een kamer, hoelang zou je het daar dan uithouden?’ Na een lange stilte antwoord ik: ‘Als ik mijn Kunsttijdschriften en een foto van mijn ouders mag meenemen, zou ik het er wel maanden kunnen volhouden.’ Vanaf dat moment gaat het allemaal heel snel. ‘Je mag hier even tekenen,’ zegt hij en hij schuift mij een brief toe. ‘Je bent per heden ontslagen van je dienstplicht.’ Ik kijk hem teleurgesteld aan. ‘Mag ik niet blijven dan? Ik kan het toch nog wel een tijdje proberen?’ De man zucht diep. ‘Je kunt gaan. Je bent vrij.’ In het busje terug naar Ede lees ik in de brief dat ik niet geschikt ben voor de krijgsmacht. Dit vanwege onvoldoende geestelijke stabiliteit: S5.
De volgende ochtend trek ik met zichtbare tegenzin mijn eigen kleren aan. Met het plastic tasje met daarin de Kunstschriften als enige bagage loop ik richting station. Ik zou waanzinnig van euforie kunnen dansen en zingen, maar weet mij te beheersen. Het zal mij niet gebeuren - na al mijn ontberingen - op de valreep te worden ontmaskerd. Tijdens de treinrit naar Amsterdam, ja zelfs in de tram vanaf het Centraal Station, gedraag ik mij als een terneergeslagene.
Mijn eerste gang op eigen bodem is naar de banketbakkerij van een van mijn broers. ‘Ik wil dat je een speciale taart voor mij maakt. Het ontwerp heb ik al in mijn hoofd.’ We werken er samen aan. Opgetogen over het resultaat loop ik ermee naar huis. Daar zijn ze stomverbaasd mij zo snel weer terug te zien. Ik zeg dat ik met vervroegd verlof ben en volgens oud militair gebruik een taart heb meegebracht. Hierop haal ik het deksel van de doos. Mijn ouders, broers en zussen zien een in camouflagekleuren uitgevoerde slagroomtaart. Temidden van groene en bruine rozetten liggen de twee losse helften van een marsepeinen soldaatje. De tekst op het chocoladeschildje eronder laat niets te raden: IK zal handhaven! Even is mijn vader vertwijfeld, maar al snel begint zijn neus te krullen van trots. De met mijn zwager afgesloten weddenschap dat ik binnen een week weer thuis zou zijn, levert mij een fles goede cognac op. Voor zover mij bekend heeft mijn psychische en/of persoonlijkheidsstoornis niet tot al te grote problemen geleid in mijn verdere leven.

(c) Frans Lasès