zondag 25 december 2016


Kerststal

Het Amsterdamse Sint Elisabeth Gesticht - dat vanaf 1960 Huize Elisabeth heette - was gehuisvest aan de Mauritskade/hoek ’s Gravesandestraat. Er woonden invalide en ongeneeslijk zieke vrouwen, veelal oud-wezen. Ze werden verzorgd door de Zusters van Liefde uit Tilburg, die ook in het Maagdenhuis werkten. Onderdeel van het gebouw was een huiskapel, zeg maar gerust een niet al te grote kerk. Ik was er begin jaren zestig een van de misdienaartjes die bij toerbeurt de huisrector assisteerden bij zijn liturgische bezigheden. Een paar keer per week meldde ik mij ‘s ochtends tegen zevenen – nuchter, half slaperig en lijkbleek  – bij zuster Lucia, de kosteres. Dan kleedde ik mij in toog en superplie en deed wat van mij werd verwacht. Na de mis stond er voor de misdienaar-van-dienst steevast een liefdevol gedekte ontbijttafel klaar: krentenbol, sneetjes wittebrood, diverse vleeswaren, een gekookt ei en een goed gemutst potje thee. Zo uitgebreid ging dat niet bij ons thuis, en al helemaal niet door de week. Maar dit terzijde. Na het ontbijt haastte ik mij dan op de fiets naar school. Op zondagen vóór de hoogmis mocht ik wel eens de kapelklok ‘doen’. Groot was de sensatie als ik door aan het touw te trekken de klok in het torentje liet beieren. Oneindig trots was ik dan. Immers, dat het weldra tijd was om op de knieën te gaan, wist iedereen dankzij mij. Aansluitend bracht ik de niet-bedlegerige bewoners in hun rolstoelen  naar de kapel. Die van de 3e klasse vanaf hun gratis slaapzaal, die van de 2e en 1e klasse haalde ik op van hun dure pensionkamers. Na de plechtigheden reed ik ze weer veilig terug, wat mij in het ene geval snoep en in het andere geval niet zelden extra zakgeld opleverde. Als alle inwonenden aan hun zondagse kerkverplichtingen hadden voldaan, was het de beurt aan de Italiaanse - toen nog - gastarbeiders. Onder aanvoering van Don Fabio baden zij in het Italiaans tot de veeltalige God. Don Fabio wilde dat ik ook zíjn dienaar werd, iets wat ik als eervol beschouwde. Ik voelde mij gezegend en leerde mijn eerste Italiaanse woordjes. Maar mijn allergrootste wens was het helpen inrichten van de kerststal, sinds mensenheugenis een taak die exclusief was voorbehouden aan zuster Lucia. Na veel bidden en smeken van mijn kant stemde zij er uiteindelijk mee in het voor één keer samen met mij te doen. De dag voorafgaand aan Kerstmis zou het gaan gebeuren. Al nachten ervoor droomde ik van het opbouwen van de stal en het tot indrukwekkende rotspartijen verfrommelen van rotspapier. In gedachten was ik druk doende met het steeds weer opnieuw uitpakken en opstellen van de beeldengroep. Stijf van de adrenaline stapte ik die bewuste kerstzaterdag op het afgesproken tijdstip de kapel binnen. Maar nog voor de deur achter mij dichtviel, zag ik het. Even bleef ik als aan de grond genageld staan. Ik kon mijn ogen niet geloven. Daar, voor in de kapel, aan de linkerkant, stond de levensgrote kerststal, al volledig opgebouwd en ingericht. Een rotswand onttrok het Maria-altaar aan het zicht. Aarzelend en vechtend tegen mijn tranen liep ik er naartoe. Tot het kindje kon ik mij niet wenden, dat lag volgens goed gebruik nog niet in de kribbe, dus vloekte ik hartgrondig in mijzelf. Huilend van teleurstelling en vol verontwaardiging over zoveel onrecht rende ik naar buiten, om mij vervolgens nooit meer bij zuster Lucia, een Zuster van Liefde, te melden. Een misdienaartje ging met vervroegd emeritaat.
Twee decennia later, in 1982, veranderde Huize Elisabeth in ‘Sleep-in’ en heet tegenwoordig ‘Hotel Arena’. De kapel doet dienst als discotheek. God straft niet altijd onmiddellijk.
(c) Frans Lasès

zondag 11 december 2016


Ontgoocheling

In het huwelijk treden doe je over het algemeen slechts een paar keer in je leven. Dus als je het doet, maak je er iets van. Ter voorbereiding op de heuglijke dag hebben wij op het stadhuis een bespreking met de trouwambtenaar. We nemen de plechtigheid door en hebben wat vragen. Een ervan is of de officiële huwelijkstekst per se door de ambtenaar dient te worden uitgesproken. Dit blijkt niet het geval, ieder ander zou het in principe kunnen doen. Ik zie mogelijkheden. De man is zo vriendelijk mij de uitgeschreven zinnen mee te geven. Aan Wim T. Schippers doe ik het verzoek om van tevoren de tekst bij mij thuis te komen opnemen, met de stem van Ernie graag (Ghie! Ghie! Ghie!) - de trouwzaal is door Wim ingericht, vandaar. Hij doet het met plezier.
De ochtend van de huwelijksdag verloopt niet geheel vlekkeloos. Tot droefenis van mijn zoon wordt het door hem bestelde feestontbijt een uur te laat en zonder excuus bezorgd. Wanneer ik even later van de banketbakker terugrijd naar huis kom ik vast te zitten in het verkeer. Iets in mij zegt dat het vervoeren van een bruidstaart geen dringende reden is om over de trambaan te gaan rijden. Ik vloek mijzelf tot kalmte. Als ik eindelijk thuis arriveer, vind ik mijn aanstaande bruid in tranen. Nu al? denk ik. Maar dan zie ik in haar ene hand een hakloze schoen en in de andere een schoenloze hak. De kostbare aanschaf is niet loopbestendig gebleken. Met moeite en een hamer weet ik het probleem provisorisch op te lossen. Voorzichtigheid is nu geboden, dat gesprekje met Jan Jansen komt nog wel. Ik zet een verse bos rode tulpen in een vaas en overhandig die als bruidsboeket aan mijn lief. Het staat haar beeldig.
Bij onze verlate aankomst in de trouwzaal ontdekken we dat de genodigden er al hebben plaatsgenomen. Nadat de Ambtenaar der Burgerlijke Stand  zijn welkomstpraatje heeft gehouden, start hij op mijn verzoek de Wim T. tape. Weldra klinkt de stem van Ernie door de zaal. De aanwezigen kijken elkaar fronsend aan. Dan is het moment aangebroken waarop het bruidspaar naar voren wordt geroepen. De ambtenaar informeert naar de ringen. Ik laat hem weten dat ik eigenlijk nog een cake had willen bakken, maar dat daarvoor de tijd ontbrak. Of hij het goed vindt dat ik het ter plekke doe. Heeft-ie geen bezwaar tegen. En of hij mij daarbij wil assisteren. Het is hem een eer en genoegen. Hierop haal ik een meegebracht groengeruit keukenschortje tevoorschijn dat ik hem omdoe. Ook heb ik een koperen pan-met-deksel bij me zoals goochelaars wel gebruiken. Alleen de benodigde ingrediënten ontbreken. Een prop papier dient ter vervanging. Ik verzoek mijn keukenhulp het papier aan te steken en de vlammende pan af te sluiten. Hij doet wat hem wordt gevraagd. Nu komt het moment suprême. Zo dadelijk, na het wegnemen van het deksel, zal ik zeggen dat de cake helaas is mislukt, en dat in plaats daarvan de trouwringen tevoorschijn zijn gegoocheld. Zo heb ik het immers voorbereid. Aan de bruid de eer de pan te openen. Maar als zij het deksel optilt, staren we naar een lege bodem. Ik zak door de grond. Waar zijn die ringen verdomme? Hoe kan het dat mijn zorgvuldig uitgedachte truc volledig de mist in gaat? Na mij een poosje in opperste verwarring te hebben gelaten, haalt de ambtenaar doodleuk de ringen uit zijn zak. Hij was van mijn plannetje op de hoogte en had ze vooraf stiekem uit de geheime dubbele bodem gehaald.
Je reinste huwelijksbedrog, dat is het!
(c) Frans Lasès

zondag 27 november 2016


Sinterklaas aan Zee

Onze buurvriend wordt vijftig. Zijn zus wil het groots aanpakken in een strandpaviljoen bij Camperduin. Zij denkt aan een surprise party, met pannenkoeken en chocolademelk. Warme chocolademelk, want het feest is begin december. Aan mij het verzoek een visite door de Goedheiligman te organiseren. Onmiddellijk denk ik aan mijn zwager. Ik bel hem op. Zonder aarzelen zegt hij toe het eervolle klusje te zullen klaren. Sterker nog, zijn vrouw en dochter willen hem graag als Pieten vergezellen. Boeking geregeld.
Dan is het 5 december, de verjaardag van de onwetende buurvriend. Ik parkeer mijn auto zo dicht mogelijk bij de feestlocatie. De striemende regen heb ik niet besteld. Het is koud en guur. Een onstuimige zee. Hoge golven worden schuim gekopt op het strand geworpen. Half stukgewaaide vlaggen staan strak. In het paviljoen is het behaaglijk, maar de grote ruimte blijkt niet in verhouding te staan tot het comité van ontvangst. Slechts een handvol  familieleden en vrienden heeft het winterweer getrotseerd. Als de vijftigjarige arriveert – hij is onder valse voorwendselen naar de kust gelokt – klinkt een mager welkomstapplaus. Bij de aanblik van het onverwachte gezelschap wil het feestvarken stantepede rechtsomkeert maken. Met veel moeite kan zijn zus hem ervan overtuigen dat het allemaal leuk bedoeld is. Hij zwicht. De pannenkoeken en chocolademelk kunnen doorkomen. Terwijl de jarige aarzelend wordt toegezongen, onderhoud ik telefooncontact met de geprogrammeerde eregasten. Die hebben zich in een vakantiehuisje-aan-zee geschminkt, zich in een huurkostuum gehesen, en zijn inmiddels onderweg. In de zaal is het opvallend rustig. Ondanks de meegebrachte slingers en ballonnen wil het feest nog niet losbarsten. Ook de uitgedeelde papieren Sinterklaasmijtertjes helpen niet. Zelfs een vrolijke toespraak op rijm maakt de sfeer niet levendiger. Wel raken de borden met pannenkoeken gestaag leger. Ondertussen vraag ik mij af waar het Spaanse bezoek blijft. Ik bel de Sint. Die is bepaald niet geamuseerd. Hij laat mij weten richting strandpaviljoen te lopen, maar door de tegenwind nauwelijks vooruit te komen. Zijn mijter is al tot driemaal toe afgewaaid en de Pieten zijn een losgeraakte wenkbrauw aan het narennen. Tot nu toe zonder succes. Toch verzoek ik hem gezwind tegen het raam te kloppen. Niet lang erna wordt er overdonderend hard op de deur gebonsd. Voorafgegaan door een wild dansend en luid zingend rondborstig Pieten duo  maakt de Goedheiligman zijn opwachting. Ik zie dat de mijter gedraaid op zijn hoofd staat, en dat er vanonder zijn te korte rode toga spijkerbroekspijpen steken. Het ontbreken van de linker wenkbrauw heeft hij met een natgeregende haarlok gemaskeerd. Hij neemt de jarige op schoot en leest uit Het Grote Boek de door mij geleverde teksten voor. Amper  verstaanbaar, want zijn snor zakt telkens voor zijn mond. De mijter blijkt een maatje te klein, bij de geringste beweging glijdt deze van het bisschoppelijke hoofd. Het is onduidelijk of de feestvierders het hoog bezoek hebben opgemerkt. Reacties van hun kant komen er niet. Als de Pieten een liedje inzetten, voelt geen van de aanwezigen zich aangespoord. Na een kwartiertje laat de Sint weten nog een druk programma voor de boeg te hebben, en verdwijnt met zijn zwart geschminkte paranimfen door de achterdeur.
Wanneer ik tegen de avond naar huis rijd, zit er onder de zwaaiende ruitenwisser iets waarin ik een witte wenkbrauw herken.
(c) Frans Lasès

zondag 13 november 2016


In de Gloria

Ben ik in Lissabon, dan moet ik van mijzelf altijd minimaal één keer naar Cervejaria da Trindade. Niet omdat je er nou zo uitzonderlijk goed kunt eten. Het is vooral de aangename ambiance van dit oorspronkelijk 13e eeuwse klooster – later bierbrouwerij – die mij aantrekt. Zo zijn de wanden van de eetzalen bekleed met fraaie azulejo tableaus waarop de jaargetijden en de elementen worden verbeeld. De locatie is op een plezierige manier te bereiken door bij Praça dos Restauradores de elevador Gloria te nemen. Dit authentieke trammetje herinnert mij aan de Amsterdamse  blauwe trams uit mijn kinderjaren. Het verschil is alleen dat deze slechts uit één enkele wagon bestaat en dat het je steil omhoog brengt naar de wijk Bairro Alto. Ik heb een plaatsje op een van de banken langs het raam. De krappe ruimte vult zich al snel met een mengeling van Lisboëten en toeristen. Een groepje van drie Belgische pubermeisjes moet het ritje naar boven staand in het gangpad maken. Als het voertuig zich in beweging zet, zie ik een van hen - zij draagt een baseballpetje - nadrukkelijk om zich heen kijken. Niet veel later roept zij met Vlaamse tongval: ‘Spreekt hier iemand Nederlands?’ Er volgt geen antwoord. Ik op mijn beurt doe alsof mijn neus bloedt. Het petje vervolgt: ‘Mooi, dan kunnen we dus alles hardop zeggen. Hier, die man bijvoorbeeld,’ zij kijkt mijn kant op, ‘met z’n mooie paarse sjaaltje en zijn nette puntschoenen.’ In mijn ooghoeken zie ik nu ook haar vriendinnen naar mij kijken. Mijn blik houd ik zo neutraal mogelijk, mijn handen losjes gevouwen. ‘Hij weet niet dat wij het over hem hebben,’ zegt een ander met een hoog stemmetje. ‘Kijk, zit-ie figuurtjes te maken met zijn vingers, wat zoet.’ Dan gebeurt wat ik al enigszins verwachtte, mijn telefoon gaat. ‘Zeker z’n geliefde,’ zegt het petje. Ik zie dat mijn zoon mij belt. Hij is, zo weet ik, net terug van een reis. Om de meisjes in de waan te laten dat ik hen niet versta, druk ik het inkomende gesprek vlug weg. ‘Nee, het is zijn vrouw,’ weet het hoge stemmetje. ‘Daar heeft-ie nu even geen zin in.’ Een derde, met een rugzak om, doet giechelend ook een duit in het zakje. ‘Ja, die mag natuurlijk niet weten dat hij met zijn vriendin in Lissabon zit.’ De drie proesten van de lach. Dan heeft Gloria het eindpunt bereikt. Ik loop achter de meisjes aan naar buiten en tik degene die het hoogste woord had op de schouder. ‘De volgende keer zou ik een beetje opletten wat ik allemaal zeg.’ Het petje verstijft van schrik. Ineens heeft zij geen tekst. ‘Zie je nou wel,’ zegt het hoge stemmetje, ‘ik dacht al zoiets.’ Het drietal heeft plotseling grote haast om weg te komen. Ik  pak mijn telefoon en leg mijn zoon uit waarom zijn vader hem daarnet zo harteloos wegdrukte.
(c) Frans Lasès         

        

zondag 30 oktober 2016


Hersengebruik

Van de ene op de andere dag je vaste baan als videografisch vormgever bij de NOS opzeggen zonder vervangend werk te hebben. Het is een impulsieve daad slechts voorbehouden aan een gek of aan iemand die zijn hart volgt. Kennelijk heb ik van beide wel iets. Als je vervolgens bij de telefoon vergeefs gaat zitten wachten op opdrachten, en je bankrekening van kleur verschiet, is het tijd je hersenen te gebruiken. Op een dag doe ik dat zelfs letterlijk. Een beetje uit balorigheid teken ik hoofden met ontblote hersenen. Ik maak er een aantal variaties op. Bij sommige laat ik het hoofd weg. Al schetsend doen mijn éigen hersenen een trouvaille. Verrek! Bingo! Het resultaat prik ik tegen mijn studiowand en laat het verder ongemoeid. Totdat vriend en collega R van R langskomt en mij dringend adviseert ‘er iets mee te doen.’ Om hem niet teleur te stellen, ga ik tot actie over. Ik bel een Twentse ondernemer in relatiegeschenken en laat hem weten een steengoed idee te hebben. Nee, dat ga ik natuurlijk niet door de telefoon prijsgeven. Omdat hij over twee dagen toevallig in Amsterdam moet zijn, vindt hij het onzin als ik helemaal naar Enschede afreis. Hij stelt voor af te spreken in het Hilton hotel waar hij steevast verblijft als hij voor zaken de hoofdstad aandoet. Een ontmoeting bij snackbar Sabrina was mij liever geweest, want aan geld ontbreekt het mij nu juist. In hoog tempo begin ik de ideekrabbel tot een presentabel voorstel uit te werken. Op de afgesproken namiddag stap ik met mijn mapje onder de arm lichtelijk onzeker het Hilton binnen. Hoe zal hij straks reageren? Het is vrij druk in de lounge. Maar tussen de strakke pakken valt mij al snel de aangekondigde groengeruite blazer op. Na een introductie over en weer, en een door de blazer aangeboden whisky, is het moment suprême daar. Ik open mijn mapje en toon hem de afbeelding van mijn braincap: een hersenschors met een zonneklep. Niet meer en niet minder. ‘Doe snel dicht!’ is zijn onmiddellijke reactie. Schichtig kijkt hij om zich heen. ‘Heeft iemand dit gezien?’ Dat is niet het geval. ‘Mooi! Ik geef je er vijf duizend gulden voor. Wil je zelf de werktekening maken, of zal ik dat regelen?’ Omdat ik stiekem problemen voorzie ten aanzien van de technische uitvoering, zeg ik dat graag aan een ander over te laten. ‘Oké, wat jij wilt. Morgen staat het geld op je bankrekening.’ Ik spring een gat in de lucht. Jaren later zal Hondje Herman vanaf het zelfde hotel een sprong in tegengestelde richting wagen, maar dit terzijde. De blazer blijkt niet te bluffen, daags erna kan ik over het geldbedrag beschikken.
Ruim twee decennia verstrijken. Ondertussen verneem ik taal noch teken, noch van de man noch van de pet. Maar als ik niet zo lang geleden een boekenwinkel bezoek, valt mijn oog op het Handboek psychische stoornissen. En jawel! Als koper ervan krijg  je - bij wijze van uitgeversgeste – een fraaie braincap erbij cadeau. Een pet die veel meer mensen zou passen.
(c) Frans Lasès

zondag 16 oktober 2016


Hondje Herman

Het is halftien in de ochtend. Hij zou er om negen uur zijn. Misschien gisteren laat gemaakt. Nog maar even wachten. Om tien uur besluit de producer om manager Koos te bellen. Die laat ons weten hem zojuist aan de telefoon te hebben gehad. Hij is onderweg. Mooi, dan zal hij zo wel komen. Maar om elf uur heeft hij nog altijd zijn neus niet laten zien. De cameraman wil de boel inpakken en vertrekken, hij vindt het ‘de waanzin ten top’. Met veel moeite kan ik hem tegenhouden. Uren later, tegen halftwee, wordt er aan de studiodeur gebeld. Door de intercom klinkt de stem van Herman Brood: ‘Klopt het dat men hier in verwachting is van mij?’ En zo zit de rockster - zonnebril, admiraalsuniform-met-pet, vijf horloges om zijn pols - na wat opstartprobleempjes toch écht te tekenen. Naast hem een batterij kleurenviltstiften en een fles crème de menthe. Hij illustreert mijn - door Jan Wolkers voorgelezen - dierenverhalen. Ze zijn onderdeel van een Villa Achterwerk programma dat ik maak. Hermans verrichtingen worden door een verticaal opgestelde camera vastgelegd. Bij elk nieuw vel papier dat ik voor hem neerleg, neemt hij een paar flinke teugen uit de fles, en vertel ik hem wat de bedoeling is. Nu graag Biggetje Bennie in de armen van zijn mama. Herman maakt er een aandoenlijk plaatje van. En nu een boerderij met een weiland in de voorgrond. Als hij na een paar minuten tekenen achterover gaat zitten, vraag ik wat er is. ‘Klaar!’ roept hij. ‘Ja, een boerderij,’ zeg ik, ‘maar ik heb ook een weiland besteld,’ Hierop zet hij met een groene viltstift één minuscuul streepje. Ik maak bezwaar. Waarop Herman zegt: ‘Het gras is net gemaaid, ziet u.’ Op een ander vel papier tekent hij, naast het door mij verlangde Poesje Paulien, een drietal cowboys te paard. Ik laat hem weten dat daarover niets in de tekst staat. Meteen tekent hij er een tekstballon bij met daarin: Let maar niet op ons. Enkele illustraties worden ongevraagd opgevrolijkt met neerstortende vliegtuigen. Tussen de bedrijven door signeert hij de blote buik van een plotseling in de studio opduikende vrouwelijke fan. Na een middag tekenen is hij moe en wil hij even naar huis voor een versnapering. Maar we zijn nog lang niet klaar. ‘Ik nodig jullie uit voor een etentje bij mij in Dante. Daarna komen we hier terug en maak ik het af. Deal?’ Deal! We stappen in een taxi en rijden gevieren – Herman, de producer, de cameraman en ikzelf – naar het grand café/restaurant aan het Spui. ‘Neemt u vooral iets te drinken. Ik keer dadelijk weder.’ En Herman verdwijnt in de lift naar zijn woonatelier. Als hij na een uur nog niet is teruggekeerd, besluiten wij alvast de bestelling te laten opnemen. Omdat we er bij zeggen haast te hebben, staan de gerechten sneller dan verwacht op tafel. Wij klinken op de goede afloop. Herman zullen wij die avond niet meer terugzien. Een stevig telefoongesprek met manager Koos is geboden. Er volgt een harde toezegging van zijn kant: morgenochtend komt Herman terug. Zeker weten? Honderd procent! De volgende ochtend negen uur. Geen Herman. Weer bellen met Koos. ‘Herman is heel verdrietig. Het gaat niet goed met zijn hond Iggy. Hij heeft een ampul van zijn baasje te pakken gekregen en stuk gebeten. En nu ligt-ie te schuimbekken. Maar ik zal hem zo snel mogelijk sturen. Herman bedoel ik.’ Rond het middaguur, we hebben de hoop al bijna opgegeven, stapt Herman - deze keer in gezelschap van vriend/biograaf Bart Chabot - de studio in. Ik vraag mij af of hij in staat is te werken. Maar als hij Gansje Gonnie met een krulstaart tekent, weet ik dat hij er weer helemaal bij  is.
(c) Frans Lasès

zondag 2 oktober 2016


Vortragsveranstaltung

Of ik binnenkort een lezing wil komen geven op een ArtEZ Academie voor Art & Design. Onmiddellijk heb ik een schrikbeeld voor ogen: München! Ik zal het toelichten.
Een poosje geleden alweer word ik door das Typographischen Gesellschaft München uitgenodigd om tijdens een van hun bijeenkomsten een voordracht te verzorgen. En dan graag over het thema Typographie und Elektronik. Geen probleem, met plezier. Ik schrijf een tekst – in het Engels, want mijn 9 voor Duits is in München hooguit de helft waard. Op de dag zelf doe ik een dvd met verzameld werk in mijn tas en ga met de trein naar Schiphol. Daar schuif ik aan in de incheckrij. Als een passagier vóór mij haar paspoort tevoorschijn haalt, krijg ik een hartverzakking. Niet bij me. Glad vergeten. In paniek ren ik naar buiten en laat mij in een halfuur per taxi naar huis scheuren. Ondertussen bel ik naar het thuisfront met het verzoek klaar te gaan staan met het document. Bij aankomst wens ik even niet te horen dat het ‘ongelooflijk stom’ van mij is. In hoge snelheid en mét paspoort opnieuw richting Schiphol. De taxichauffeur is bereid het gaspedaal nog verder in te drukken. Maar de tijdswinst wordt door een file teniet gedaan. Ik arriveer te laat. Pas over drie uur kan ik op een volgende vlucht. Dit is zo’n moment waarop een mens liever dood is. Wat er dan allemaal in een hoofd omgaat. Tussen aankomst in München en aanvang lezing zit krap een uur. Dat ga ik nooit redden. Ik breng mijn contactpersoon van het Gesellschaft telefonisch op de hoogte. Zij ziet de ernst van de situatie in, zo blijkt in de aankomsthal van Flughaven München. Zodra ik door de glazen schuifdeuren stap, stuit ik op een nerveus ogende middelbare dame. In haar handen een bordje met mijn naam. Ik word Herzlich willkommen geheten en al rennend naar de uitgang geleid. Tijdens onze sprint laat zij mij tot mijn geruststelling weten dat het publiek al in de zaal zit te wachten. Haar auto heeft zij niet ongestraft voor de deur kunnen parkeren. ‘Es tut mir leid, entschuldigung’ stamel ik als zij de bekeuring onder de ruitenwisser vandaan haalt. Na een dollemansrit over de snelweg komen wij in het drukke stadscentrum. Oranje stoplichten negerend en veelvuldig gehinderd door opstoppingen bereiken wij eindelijk onze bestemming. Even een kalmeringspilletje op het toilet, een nat lapje over mijn gezicht en ik betreed de zaal. Daar krijg ik de schrik van mijn leven. Ik sta in een bierhal. Qua akoestiek waan ik mij in een volgepakt zwembad. Maar waar ik ook kijk, zie ik bierdrinkend publiek aan lange tafels. De kleden erop rood/wit geruit. Rondborstige vrouwen in Beierse klederdracht lopen af en aan met enorme pullen bier, in beide handen drie tegelijk. Ik haal diep adem en loop naar het katheder. Ook voor míj staat er bier klaar. Na een introductie door de contactdame steek ik van wal. Tijdens mijn praatje gaat de bierverstrekking in de zaal onverminderd door. Ik maak mezelf wijs dat ik het niet zie. Het verbaast mij dat na mijn anderhalf uur durende lezing-met-lichtbeelden de vragen in het Duits worden gesteld. Ik beantwoord ze consequent in het Engels. Als ik dit na afloop tijdens het etentje met de contactdame ter sprake breng, zegt zij schuchter: ‘Weet u, eigenlijk gingen wij ervan uit dat u de lezing in het Duits zou houden. De meesten hier zijn het Engels niet machtig.’
De voordracht op de ArtEZ academie kan ik in het Nederlands houden. En, zo wordt mij verzekerd, er zal ondertussen geen bier worden getapt. Toch denk ik er nog even over na.
(c) Frans Lasès  

zondag 18 september 2016


Saudade

Om de paar jaar breng ik in de zomer enige tijd door in het Zuid Portugese dorp. Steevast breng ik dan enkele keren een bezoek aan António. Zijn caldo verde (aardappel/koolsoep) en frango com piri-piri (pittig gegrild haantje) zijn zoals ze horen te zijn, gewoon lekker en vooral simpel. Net als de sardientjes. Vol goede moed stap ik het mij zo vertrouwde restaurantje binnen. De eigenaar en ik begroeten elkaar hartelijk. Tot mijn verbazing zie ik dat hij een bordeauxrood schort draagt met in geborduurde letters Restaurante António. Wat is dit voor malligheid? Als er even later - in plaats van het vertrouwde tinnen kuipje sardientjespaté en bergkaasje - amuses op tafel komen, ruik ik onraad. De bestelde doordrinkwijn (een vinho verde à €15,- per fles) mag ik ineens voorproeven. António kijkt geduldig afwachtend toe. Langzaamaan begint het tot mij door te dringen, de uitbater is natuurlijk op culicursus geweest. In de menukaart zoek ik naar mijn favoriete gerechten. Tevergeefs. Dan maar de met gerookte ham omwikkelde tongrolletjes met verse basilicum. Die worden met wat groenteliflafjes gepresenteerd op een vierkant wit bord. Ter decoratie is er met paprikapoeder gestrooid en zijn er artistieke lijnen van balsamico siroop getrokken. Commercieel uitgedachte quasi culinaire fratsen sluipen de authentieke volkskeuken binnen. We kunnen er op wachten tot António – de tijdgeest aanvoelend – zijn handgedraaide terracotta servies uit de kelder terughaalt en zijn vertrouwde kookkunsten weer oppakt. De toerist zwaait immers de scepter. Koffie drink ik wel op het pleintje.
Onderweg erheen komt het geluid van stevige popmuziek mij al tegemoet. Niks fado. Het terras naast het witte kerkje is drukbezet door etende toeristen. Ik strijk er neer voor een stevige bica-met-bijlage. De drumcomputer en de dreunende bassen doen pijn aan mijn oren, maar ik neem het voor lief. Net als het valse gezang dat uit de boxen schalt. Zo te horen val ik met mijn neus in de karaoke boter. De toerist wil zijn eigen muziek en de horeca doet goede zaken. Dat laatste is terecht, dit is de periode waarin het meeste verdiend moet worden. Obers en serveersters lopen on-Portugees snel af en aan. Bij het licht van een olielamp probeert een bejaard stel geroosterde octopustentakels te slijten. Een invalide bewoner slaat zittend voor zijn huis het vakantieleven gade. Zijn jonge buurvrouw is haar zoontje behulpzaam bij het plassen in de goot. Dan zie ik even verderop een groepje rokende mannen voor een gebouwtje staan. Af en toe komt er iemand naar buiten, ook gaan er mensen naarbinnen. Het intrigeert mij. Nieuwsgierig geworden loop ik ernaartoe. Als ik dichterbij kom, wordt het mij duidelijk. Het is een rouwkapel. Door de openstaande deur kan ik de verlichte ruimte inkijken. Omgeven door een haag van bloemstukken staat een baar met daarop het lichaam van een vrij jonge man. Hij is nog niet gekist. Het gezelschap rond de baar bestaat voornamelijk uit vrouwen. Sommigen staan snikkend tegenover elkaar. Anderen bidden de rozenkrans of staren naar de overledene. Op het aangeplakte doodsbericht aan de buitenmuur is een portret in kleur afgebeeld. Het betreft de voorzitter van de voetbalclub. Veertig jaar is hij geworden. De mannen voor de ingang roken hun sigaretten zwijgend. Door de snoeiharde karaokemuziek zouden zij elkaar waarschijnlijk toch niet kunnen verstaan.
(c) Frans Lasès

zondag 4 september 2016


Oor

Er gaan dagen voorbij dat ik mij geen homo erectus of zelfs geen homo sapiens voel, maar enkele dagen in een grot doorbrengen lijkt me wel wat. De temperatuur is er altijd 18 graden. Da’s goed uit te houden als de thermometer buiten op 38 staat. In het gebied rondom het Zuid-Spaanse Galera bevinden zich authentieke grotwoningen. Sommige ervan zijn voor korte of langere tijd te huur. Mijn hooggespannen verwachtingen worden al bij het naderen van het dorp ingelost. Her en der tekenen zich witte vlekken af tegen de bergwand. Van de in de rotsen uitgehouwen woningen zijn slechts de gekalkte voorgevels te zien. Voor het inchecken moet ik naar de verhuurder in het dorp beneden. In een winkeltje, kantoortje of huiskamer neemt de eigenaresse gegevens uit mijn paspoort over. Haar man rijdt mij op zijn bromfiets vooruit. We gaan omhoog over steile smalle bochtige weggetjes. Ik bid dat ik geen schade maak aan de huurauto. Als ik zonder krassen en deuken aankom, moet ik nog een stenen trap op waarna ik de grot kan betreden. Aan de inrichting zal het geld niet zijn opgegaan. Kledingkasten zijn niet méér dan in het gesteente uitgehouwen nissen met een gordijn ervoor. Een klein raam laat wat daglicht binnen. Toch oogt het interieur aangenaam en bovenal authentiek. En dat is precies wat ik wil. Ik fris mij op en loop terug naar beneden voor een nadere kennismaking met het dorp. Op een reclamebord naast de kerk prijkt een affiche: Corrida en Huéscar. Het is 1986, stierengevechten zijn weliswaar omstreden, maar niet verboden. Bovendien schreef Hemmingway er aardige stukjes over en kozen Picasso en Goya het als thema  voor hun goed gelukte tekeningen. Waarom zou ik het niet mogen fotograferen? Huéscar ligt op slechts tien minuten rijden van Galera, dus vormt de afstand ook geen belemmering.

Die avond zit ik ‘sol y sombra’. De tribunes zijn gevuld. Het blijkt nog niet zo eenvoudig de gevechten op leven en dood goed in beeld te krijgen, maar lang leve de zoomlens. Opgehitst door de banderillero’s rent een getergde stier briesend en snuivend door de arena. Een jonge matador neemt gracieuze poses aan en beweegt als een ballerina. Zijn oefeningen voor de spiegel werpen duidelijk hun vruchten af. Hij doet wat van een matador verwacht kan worden. Na een opwindend pas de deux weet hij de stier op de knieën en uiteindelijk gestrekt te krijgen. Het publiek  zwaait met witte zakdoeken. Ook el presidente is tevreden over de geleverde prestatie en geeft een teken voor de beloning. Hierop snijdt de matador het linkeroor van de zojuist gedode stier. Met de bebloede trofee in de lucht gestoken maakt hij als een goudhaantje zijn ereronde. De toeschouwers klappen  en juichen. Bij wijze van afscheid werpt hij het oor in de lucht, vangt het geroutineerd op en verlaat de arena. Ik schuifel tussen het publiek naar de uitgang. Daar deelt de held handtekeningen uit op toegangskaartjes en servetjes. Ik maak foto’s van de scène. Zodra hij mij in het oog krijgt, neemt hij speciaal voor mij sierlijke standjes aan, nog wellustiger en met nog meer bravoure dan tijdens het gevecht. Nu weer frontaal en het oor kussend, dan weer over zijn schouder in de camera kijkend. Met de armen in de zij of uitdagend over elkaar, en altijd met die zelfgenoegzame stoere blik. Bij iedere pose druk ik af. De omstanders vinden het prachtig. En dan, zomaar ineens uit het niets, biedt hij mij het oor aan. Ik reageer vertwijfeld, kijk hem vragend aan. Deze eer is toch weggelegd voor de bekoorlijkste vrouw uit het publiek, of voor de burgemeester. Wie ben ik dan wel? Maar het is hem menens. Aarzelend maar dankbaar neem ik het oor aan. Onmiddellijk gaat er een gejuich en applaus op van de omstanders. De matador klopt mij amicaal op de schouder. Als ieder zijns weegs is gegaan, staar ik nog een poosje vol ongeloof naar het oor in mijn handen.

Terug in de grotwoning weet ik niet wat aan te vangen met het geschenk. Een klein uur ervoor behoorde het nog toe aan een strijdlustig dier. Ik kan het toch onmogelijk in de prullenbak gooien. Zomaar op tafel leggen is ook geen optie, de vliegen zouden er wel raad mee weten. Ik besluit het zolang in de koelkast te leggen. Als ik de volgende ochtend de koelkastdeur open, schrik ik tóch van de surrealistische aanblik. Ik neem het zwartharige object in mijn handen, pak een lepel uit de besteklade en loop naar buiten. Daar graaf ik een kuiltje waar ik het oor behoedzaam in leg. Een moment houd ik stil. In een flits zie ik het gevecht met de voor de stier zo fatale en voor de matador zo succesvolle afloop. Dan bedek ik de stoffelijke rest met aarde en leg er ter markering een kleine steen op. Ik ben een homo sensitivus.

Hieraan zit ik te denken nu ik na al die jaren terug ben in Galera.
(c) Frans Lasès




zondag 10 juli 2016


Stropdas en beton

Meneer O, de vader van een ex-vriendin, was een gedrongen man met het zilvergrijze haar strak achterover gekamd. Hij werkte als verkoper in een Hilversumse bedrijfskledingzaak. Jaar in, jaar uit ging hij elke werkdag om tien voor halfnegen ’s ochtends van huis om naar de winkel in het centrum te fietsen. Zijn aktentas met lunchtrommeltje onder de snelbinder. Klokslag zes uur ’s avonds begon hij in omgekeerde volgorde aan dezelfde route. Gedurende de tussenliggende uren hielp hij – in donkergrijze broek met daarop een lichtgrijs lamswollen vest over een wit overhemd en stropdas  – de clientèle aan passende kledij. In het geval een broek of jasje correctie behoefde, speldde hij het kledingstuk af, waarna het door de huisnaaister werd vermaakt. Van een tot halftwee ging de winkeldeur op slot. Dan at hij zijn boterhammen, zittend op een krukje achter de toonbank. Op een grapje of frivoliteit hebben noch de naaister noch de klanten hem ooit kunnen betrappen, daarvoor was het werk te serieus. Eigenlijk wérkte meneer O niet in de winkel, hij wás de winkel, het hele jaar rond. Dat wil zeggen: bijna rond. Want tegen augustus brak altijd weer het moment aan waarnaar hij lang had uit-gekeken. Als hij dán op vrijdag om zes uur afsloot, verkeerde hij in een compleet andere stemming. Dan fietste hij aanmerkelijk sneller naar huis. Daar trok hij dan in één lange ruk zijn stropdas los om die triomfan-telijk aan een speciaal daarvoor bestemd haakje te hangen. Dat bevond zich midden boven in de doorloop van de voor- naar de achterkamer. Steevast sprak hij dan de gedenkwaardige woorden: ‘Zo, die gaat de eerste twee weken niet meer om!’ Vervolgens nam hij dan plaats in zijn fauteuil bij het raam, legde zijn armen op de armleuningen om met ingehouden enthousiasme te roepen: ‘Vakantie!’ Twee weken later was het gedaan met de pret en deed hij zichzelf weer de das om.
Eens, op een doordeweekse avond, was ik met mijn vriendin uitgeno-digd om te komen eten. Haar moeder had – waarschijnlijk om mij te plezieren – extra veel werk gemaakt van het etentje. Alle tafelgenoten waren het er over eens dat zij geweldig had gekookt. ‘Vind jij het ook lekker, Pa?’ wilde de kok van haar man weten. ‘Prima hoor!’ was zijn adequate antwoord. Toen er tijdens het dessert werd aangebeld, liep de heer des huizes naar de voordeur. Hij opende het deurraampje en vroeg aan het meisje op de stoep: ‘Ja, wat is er?’ Zij  antwoordde: ‘Dag meneer. Ik kom voor Jantje Beton.’ Waarop de onwetende reageerde: ‘Die woont hier niet!’ Meteen daarop deed hij het raampje met een klap weer dicht. Meneer O: klein van gestalte, groots in zijn daden.
(c) Frans Lasès

zondag 3 juli 2016


Stabiliteit (3)
In de wachtruimte van het militair hospitaal voel ik mij geobserveerd. Het duurt lang eer ik word binnengeroepen in een spreekkamer. Achter een immens bureau zit een militair in doktersjas. ‘Zou jij je baret niet eens afzetten?’ vraagt de man bars. ‘Sorry meneer,’ zeg ik en leg het ding op het bureau. Maar dat blijkt niet de bedoeling. Hij wil weten wat mij precies mankeert. Ik zeg dat ik geen idee heb. Dat ik dolgraag wil, maar dat het niet lukt. En ook dat ik de jongens om mij heen leuk vind, maar dat het er zo veel zijn. De man maakt aantekeningen en vraagt zonder van zijn papier op te kijken: ‘Gesteld dat ik jou heel alleen zou opsluiten in een kamer, hoelang zou je het daar dan uithouden?’ Na een lange stilte antwoord ik: ‘Als ik mijn Kunsttijdschriften en een foto van mijn ouders mag meenemen, zou ik het er wel maanden kunnen volhouden.’ Vanaf dat moment gaat het allemaal heel snel. ‘Je mag hier even tekenen,’ zegt hij en hij schuift mij een brief toe. ‘Je bent per heden ontslagen van je dienstplicht.’ Ik kijk hem teleurgesteld aan. ‘Mag ik niet blijven dan? Ik kan het toch nog wel een tijdje proberen?’ De man zucht diep. ‘Je kunt gaan. Je bent vrij.’ In het busje terug naar Ede lees ik in de brief dat ik niet geschikt ben voor de krijgsmacht. Dit vanwege onvoldoende geestelijke stabiliteit: S5.
De volgende ochtend trek ik met zichtbare tegenzin mijn eigen kleren aan. Met het plastic tasje met daarin de Kunstschriften als enige bagage loop ik richting station. Ik zou waanzinnig van euforie kunnen dansen en zingen, maar weet mij te beheersen. Het zal mij niet gebeuren - na al mijn ontberingen - op de valreep te worden ontmaskerd. Tijdens de treinrit naar Amsterdam, ja zelfs in de tram vanaf het Centraal Station, gedraag ik mij als een terneergeslagene.
Mijn eerste gang op eigen bodem is naar de banketbakkerij van een van mijn broers. ‘Ik wil dat je een speciale taart voor mij maakt. Het ontwerp heb ik al in mijn hoofd.’ We werken er samen aan. Opgetogen over het resultaat loop ik ermee naar huis. Daar zijn ze stomverbaasd mij zo snel weer terug te zien. Ik zeg dat ik met vervroegd verlof ben en volgens oud militair gebruik een taart heb meegebracht. Hierop haal ik het deksel van de doos. Mijn ouders, broers en zussen zien een in camouflagekleuren uitgevoerde slagroomtaart. Temidden van groene en bruine rozetten liggen de twee losse helften van een marsepeinen soldaatje. De tekst op het chocoladeschildje eronder laat niets te raden: IK zal handhaven! Even is mijn vader vertwijfeld, maar al snel begint zijn neus te krullen van trots. De met mijn zwager afgesloten weddenschap dat ik binnen een week weer thuis zou zijn, levert mij een fles goede cognac op. Voor zover mij bekend heeft mijn psychische en/of persoonlijkheidsstoornis niet tot al te grote problemen geleid in mijn verdere leven.

(c) Frans Lasès

zondag 26 juni 2016


Stabiliteit (2)

De volgende ochtend wordt er ‘Wakker worden!’ gebulderd. Terwijl de anderen binnen de kortste keren naast hun bed staan, houd ik mij slapende. ‘Hé lijpe, opstaan!’ hoor ik iemand roepen. Kort daarop wordt er aan mijn bed geschud. ‘D’r uit, luie donder!’ En dan: ‘Hé mannen, kijk nou! Hij heeft pappie en mammie meegebracht. Ach gossie.’ Ik steek mijn hoofd boven de dekens uit en zie hoe mijn ouders van hand tot hand gaan. Ik spring uit mijn bed en probeer vergeefs de foto terug te bemachtigen. Half huilend hijs ik mij in het bruingroene uniform. Het ontbijt pak ik wel, maar eet er niets van. Of ik soms in hongerstaking ben. Ik zeg dat het er allemaal heel lekker uitziet, maar dat ik niet zoveel eetlust heb. Dit tot hilariteit van de strijdmakkers. Het commando ‘Van boven alles uit, onderhemd aanhouden!’ wordt gegeven. Alle nieuw-bakken krijgers moeten zich in een lange rij opstellen. Vooraan staan - aan weerszijden - twee soldaten met een injectiespuit klaar. Een voor een wordt men in beide armen tegelijk geprikt. Als ik aan de beurt ben, zie ik mijn kans schoon. Op het moment dat ze de naalden uit mijn huid terugtrekken, laat ik mij in elkaar zakken. Er ontstaat paniek. Snel word ik overeind geholpen en op een stoel gezet. Ik verontschuldig mij voor het incident. Een halfuur later staat het legertje rekruten onbeweeglijk naast elkaar op de binnenplaats. Telkens wordt na het afroepen van een naam de bijbehorende corveeklus bekendgemaakt. Binnenplaats aanvegen, onkruid knippen, grassprietjes tellen. Voor mij hebben ze auto’s wassen bedacht. Ik zeg dat ik een beetje duizelig ben en liever niet buiten werk. ‘Dan gaat Lasès naar binnen en de trap dweilen.’ Met een zinken emmer halfvol water loop ik naar de bovenste trede. Dit is mijn kans om voor eens en voor altijd de aandacht op mij te vestigen. Ik gooi de emmer de trap af en laat mijzelf er gecontroleerd achteraan vallen. Het lawaai heeft de aandacht getrokken van de corveeverdeler. ‘Wat gebeurt hier?’ Ik lig onderaan de trap en houd mij bewusteloos. Er wordt direct alarm geslagen, waarop toegesnelde manschappen mij per brancard naar de ziekenboeg brengen. Missie tot zover geslaagd.
Ik ben de enige op het ziekenzaaltje. Hongerig als ik ben, kost het mij veel moeite het gebrachte eten onaangeroerd te laten. Maar de sugges-tie dat ik, mijn inzet ten spijt, niet bij machte ben goed te functioneren, moet overeind blijven. Gedurende de dag word ik regelmatig bezocht. Door wie weet ik niet, ik houd mij slapende. Tegen de avond krijg ik gezelschap van een medepatiënt. Hij wordt in het bed schuin tegenover mij gelegd. Fluisterend neemt hij mij in vertrouwen en bekent dat hij de kluit belazert. Dat hij probeert zo snel mogelijk naar huis te mogen. ‘Jij simuleert toch ook? Ik vind het sterk hoe jij het doet.’ Ik heb mij voor-genomen niemand te vertrouwen. Ze kunnen vallen voor mij uitzetten, maar ik zal er niet intrappen. ‘Hoe bedoel je?’ zeg ik met zwakke stem. ‘Ik wil juist gráág in dienst, alleen lukt het me nog niet zo goed.’
Na een zelfverkozen slapeloze nacht – ik mag er niet op mijn voordeligst uitzien – wordt mij in alle vroegte meegedeeld dat ik voor nader onder-zoek naar Nijmegen moet. Ze brengen mij er in een olijfgroen busje heen.
(Wordt vervolgd)

(c) Frans Lasès

zondag 19 juni 2016


Stabiliteit (1)

In 1969 is het nog de bedoeling dat je als frisse Hollandse jongen acht-tien maanden lang koningin, volk en vaderland verdedigt. Ook ik word opgeroepen voor een militaire keuring. Hoewel ik in mijzelf nooit een potentiële krijger heb gezien, lijkt mij een algehele body- en braincheck redelijk zinvol. Je wilt op zeker moment toch weten of je wel helemaal lekker bent. De uitslag is gunstig: ik blijk niet ziek en ik ben ook niet gek. Keuringsartsen geven het groene licht: geschikt voor de vervulling van de militaire dienstplicht. Dit tot volle tevredenheid van mijn vader, die met enige regelmaat roept dat het hoog tijd wordt dat ik in dienst ga. Daar zullen ze wel even een kerel van mij maken. Maar Frans heeft er andere ideeën over. Hij is beslist niet van plan zich zonder slag of stoot gewonnen te geven. Na een zes weken durende vakantie in Marokko meld ik mij een uur te laat aan de kazernepoort in Ede. Het enige dat ik heb meegenomen is een plastic tasje. Twee zwaar bewapende wachters checken de inhoud. Een foto van mijn ouders en een jaargang van het maandblad Kunstschrift van Openbaar Kunstbezit. Er wordt gegniffeld. Ze willen weten wat ik precies kom doen. Ik vertel dat mijn moeder heeft gezegd dat ik naar de krijgsmacht moest. En ook dat ik moest vragen naar de afdeling Verbindingen. Proestend van de lach wordt mijn komst doorgebeld aan de hogere legerleiding. Later die dag zit ik in uniform met mijn lange haar bij een militaire kapper. Of hij het een beetje gedekt zal laten, informeert hij. ‘Doet u maar wat u denkt dat het beste voor me is,’ antwoord ik. Dit is nieuw voor de man. ‘Nou, in dat geval ...’ En wel-dra ligt er een kastanjebruin harig kleedje op de vloer rondom mij. De jongeman in de spiegel herken ik niet. Die avond in de kantine - mess, heb ik wel eens gehoord – laat ik mij een flink bord eten opscheppen.    Ik roer ik er langdurig in, maar neem er geen hap van. ‘Waarom eet je niet?’ vraagt een rondlopende hooggeplaatste. ‘Het lijkt me heerlijk,’ zeg ik schuchter, ‘maar ik heb denk ik niet heel veel trek.’ Mijn tafelgenoten kijken mij meewarig en zelfs spottend aan. Als zij hun borden leeg hebben, ga ik van tafel en loop door de gang richting slaapzaal. ‘Dag meneer,’ groet ik een tegemoetkomende militair-met-strepen. Hij rea-geert getergd: ‘Ik bén geen meneer. Handen uit je zakken en salueren man!’ ‘Sorry, neemt u mij niet kwalijk,’ en onwennig breng ik mijn hand naar mijn baret. Op de slaapzaal leg ik de foto van mijn ouders en de Kunstschriften onder het hoofdkussen en kruip diep weg onder de dekens.

(Wordt vervolgd)
(c) Frans Lasès                     

zondag 12 juni 2016


Zo leer je tekenen

Als zesdeklasser van de lagere school was ik heilig van plan een alom gerespecteerd man te worden. Mijn heeroom Jo, die als missionaris heidenen bekeerde in Brazilië, diende hierbij als voorbeeld. Ik zou priester worden en de eer van de familie hoog houden. Terwijl andere jongens op straat voetbalden, trainde ik mijzelf in godvruchtigheid. Mijn slaapkamer - die ik deelde met mijn oudere broers, en waarin je na koude winternachten getrakteerd werd op een ijsbloemenhulde tegen de ruiten, zo’n kamer dus - bouwde ik regelmatig om tot huiskapel. Daar legde ik de kiem voor mijn gedroomd priesterschap. Omringd door kerkelijke parafernalia droeg ik er op woensdagmiddagen in toog en kazuifel de mis op. Een door mijn vader met zijn mooiste duif gewonnen prijsbeker diende hierbij als ciborie. King pepermuntjes waren de hosties. Zo nu en dan wist ik een zusje over te halen mijn misdienaar te zijn. De stap naar het kleinseminarie was niet meer zo groot.
En zo zat ik – twaalf jaar oud en in korte broek gestoken - in de gym-nasiumbanken van MSC Missiehuis Driehuis. Ondanks mijn klerikale training viel het kloosterleven mij niet licht. Elke ochtend om zeven uur wierp ik mij op de knieën in de kapel, om twaalf uur bad ik er het angelus, om vijf uur het rozenhoedje. De rest van de dag studeerde ik, tijdens de reguliere lesuren, maar ook aansluitend en na het avondeten. Als de bel ging, mocht ik recreëren. Haastten mijn klasgenoten zich als door Pavlov aangestuurd naar de biljart- of tafeltennistafel, dan pakte ik mijn tekendoos. Tekenen deed ik het liefst. Bovendien was ik graag op mijzelf, alles samendoen gaat snel vervelen. Ik tekende stillevens, Amsterdamse grachtenhuizen en wilde zwijnen in het bos. Ook Jezus heb ik dikwijls aan het kruis getekend. Maar aan blote meiden waagde ik mij niet. Men zou mij zien aankomen, op een seminarie! Raffinement was geboden.
Het liep tegen mijn verjaardag. Bovenaan het verlanglijstje zette ik een informatief Prisma-pocketboekje over het tekenen van het naakte vrouwelijk lichaam. Ik vermeldde er bij dat de paters er geen bezwaar tegen hadden, dat zou mijn ouders over de kuisheidsstreep trekken.
En inderdaad, helemaal onder in het verjaardagpakket vond ik het: Zo leer je tekenen, door Tjomme de Vries. In kleinere letters: Met tal van voorbeelden. Wat een sensatie! Alleen moest het nog wel door de controle. Alle boeken die je als AMSC’er (Aspirant Missionair du Sacre Coeur) wilde lezen, werden eerst door pater rector gekeurd. Bij geachte geschiktheid zette hij er een stempel in: Exlibris. Over het algemeen ging dat stempelen probleemloos, maar met dit boekje wist ik het niet zeker. Na een paar dagen trok ik de stoute schoenen aan en stapte naar de rector. Nadat hij het van voor tot achter aandachtig had bekeken, zei hij: ‘Nou Frans, als jij dit boekje uitsluitend gebruikt waarvoor het bedoeld is, zet ik er met plezier een stempel in. En,’ zo voegde hij eraan toe, ‘houd me op de hoogte van je vorderingen.’
Ik heb er wel eens iets uit getekend, allicht, maar meestal lag het onder mijn kussen. En als iemand mij ermee betrapte, kon ik heel gemakkelijk de legaliteit ervan aantonen.
Na anderhalf jaar hield ik het seminarie - en daarmee het celibaat - voor gezien. De kapel doet inmiddels al decennialang dienst als sportzaal voor revaliderende mariniers.
(c) Frans Lasès


zondag 5 juni 2016


Liber amicorum

Oom C wordt negentig jaar. Dit heuglijke feit zal in een Friese stolp- boerderij bij hem in de omgeving groots worden gevierd. Hij komt op het lumineuze idee mij als ceremoniemeester te vragen. Mijn optreden in een vergelijkbare functie bij het afscheid van een goede vriendin heeft hierbij overduidelijk een rol gespeeld. Met ‘het is mij een eer en genoe-gen’ neem ik de verantwoordelijke taak op mij. Omdat het fenomeen vriendenboek weinig bekendheid geniet in C’s kringen, lijkt het mij een passend gezamenlijk geschenk. Alle vierentachtig gasten stuur ik de uitnodiging een bijdrage te leveren in de vorm van één pagina per persoon. Het staat eenieder volkomen vrij er een eigen invulling aan te geven. Ervaringsdeskundig als ik ben, laat ik weten alle werkstukken graag twee weken voor het feest in mijn brievenbus te willen aantreffen. Op de dag van de deadline zijn er drie pagina’s binnen: die van mijn vrouw, mijn dochter en van mij. Wanneer na enkele dagen de collectie niet verder is aangevuld, besluit ik een herinnering rond te sturen. Daarop beginnen de pagina’s van familieleden en vrienden gestaag binnen te druppelen. De een wenst C een lang en gelukkig leven toe, de ander komt met anekdotes op de proppen. In poëtische uitingen wordt meer dan royaal gebruik gemaakt van de dichterlijke vrijheid. Het proza is grensverleggend dan wel experimenteel. Sommige genodigden ver- luchtigen hun tekst met een bloementekening of een foto van zichzelf. Anderen grijpen naar het betere knip- en plakwerk. Maar alle bijdragen getuigen van veel waardering en liefde jegens de jarige in spe. Per opengemaakte envelop gaat mijn verwondering crescendo. Tot voor kort kende ik slechts één kant van oom C. Dat hij zó godvruchtig, onbaat-zuchtig, hulpvaardig en humoristisch is, daarvan had ik hooguit een vermoeden. Er begint zich een steeds completer beeld van hem af te tekenen. Als op zeker moment de telefoon gaat, krijg ik een broos klinkende vrouw aan de lijn. ‘Jo sprekt mei mefrou P. Ik kin dat net hear. Ik sit mei dy arm.’ Even moet ik schakelen. Het Fries verwart mij. Is dit soms mijn zestienjarige dochter die weer eens in een jolige bui verkeert? Ik ben op mijn hoede. Maar al snel begrijp ik dat dit serieus is. De vrouw laat mij weten geen pagina te zullen inleveren. Vanwege een arm die niet meer wil en gelet op haar hoge leeftijd (‘Juster bin ik twa en njog-gentich jier wurden.’) lukt het haar niet iets te fabriceren. Maar, zo verzekert ze mij, zij is altijd goed geweest met buurman C, en de kin-deren hebben samen in de fanfare gespeeld. Dus stel ik voor, gebruik-makend van deze informatie, die pagina namens haar te zullen maken. Zij vindt het een goed idee. Enkele dagen voor het feest stuur ik een tiental nog altijd in gebreke gebleven gasten een tweede herinnering.   Als er op de allerlaatste dag toch nog pagina’s binnenkomen, kan het stapeltje - voorzien van een omslag – eindelijk worden ingebonden.   Oom C voelt zich tijdens de high tea in Gasterij de Wâldwei jariger dan alle negenentachtig verjaardagen ervoor. Het liber amicorum vindt hij het mooiste cadeau dat hij zich had kunnen wensen. Na het Lang zal ie leven drukt een zestiger-in-joggingpak mij terloops een losse pagina in de handen. ‘Kan onze  bijdrage ook nog in het boek?’  
Al is Fryslân plat, it hat syn hichtepunten. 
(c) Frans Lasès

zondag 29 mei 2016


Ex  

Dan is het herfst 1980 en ben je ineens als man-alleen weer op zoek naar woonruimte. Daar sta je dan. Waar ga je dan? Ik vraag vriend en collega Ron zijn ogen en oren de kost te willen geven. Niet lang erna belt hij mij enthousiast op. Een kennis van hem, de zoon van een popu-laire journaalpresentator, heeft hem verteld dat zijn vaders ex in een te groot huis aan de Amsterdamse Churchilllaan woont. En dat de door haar aan een student verhuurde zolderetage-met-vrije-opgang snel beschikbaar komt. Misschien is dat iets. Daags erna zit ik tegenover de alleenstaande ex in haar klassiek ingerichte woonkamer. Ik schat haar achter in de veertig en door de wol geverfd. Na enig aftastend gesnuffel van beide kanten besluiten wij het inwoonavontuur aan te gaan. Ze geeft mij een setje van drie sleutels mee. Met de vertrekkende student regel ik de overname van twee leunstoelen en een wekkerradio. Het weekend erop verhuis ik naar de chique Churchilllaan. Mijn woonruimte bereik ik door eerst de hoge stenen buitentrap naar de bel-etage op te gaan. Boven aangekomen, open ik de toegangsdeur met de eerste sleutel.    Via de binnentrap kom ik op de woonetage van mijn hospita. De tweede sleutel is van haar voordeur. In de hal erachter bevindt zich de deur naar de zoldertrap. De derde sleutel is van de betreffende ruimte. Ik ben beslist niet ontevreden met mijn nieuwe bestemming. Bovendien mag ik, wanneer ik maar wil, gebruik maken van mijn hospita’s ligbad. De hele ambiance straalt een vertrouwelijke sfeer uit. Wat meer te verlangen?    Er gaan dagen voorbij dat ik de ex van de populaire journaalpresentator niet tegenkom. Als ik op een avond de voordeur van haar appartement niet openkrijg, bel ik aan. Gekleed in peignoir doet zij open. Zij had het nachtslot er al op gedaan. Of ik zin heb om even binnen te komen voor een glaasje. Nee sorry, een andere keer misschien. Ik wens haar nog een prettige avond en verdwijn naar boven waar ik mijn eigen glaasje heb. Na een paar dagen is het weer raak. Deur op het nachtslot! Glaasje? Nee, dankjewel. Snel door naar boven. Als ik mijzelf een glas Jameson wil inschenken, valt het mij tegen hoe weinig nog in de fles zit. Zoveel drink ik niet. Later in de week, wanneer ik ‘s avonds de fles weer ter hand neem, verbaast het mij juist hoevéél whisky erin zit. Valt dat even mee. Toch begin ik aan mijzelf te twijfelen. Voor de zekerheid markeer ik het drankniveau met een streepje op het etiket. De volgende dag loop ik bij thuiskomst linea recta naar de kast en check de whisky. Het bevreemdt mij dat er minder in de fles zit dan het streepje aangeeft. Hoe serieus kan ik mijzelf nog nemen? Ik heb de markering toch goed geplaatst. Om honderd procent zeker te zijn, zet ik nu een streepje met een rode pen. Eens kijken of ik mijzelf in de val kan laten lopen. Ik ga naar bed en houd mij stevig in de gaten. De volgende ochtend wil ik onmiddellijk weten of ik ’s nachts rare dingen heb uitgespookt. Dat blijkt niet het geval. Er zit nog precies evenveel in de fles. Vol zelfvertrouwen ga ik de deur uit voor een nieuwe werkdag. Die avond ben ik razend benieuwd of de hoeveelheid whisky nog op peil is. Tot mijn verbijstering zit er nu méér in de fles dan ‘s ochtends. Ik word gek. Dan schiet ineens door mijn hoofd: ze heeft een extra sleutel! En voor ik het besef, sta ik midden in de woonkamer van de ex van de populaire journaalpresen-tator. Ik laat haar op niet mis te verstane wijze weten met onmiddellijke ingang de huur op te zeggen. De volgende dag sjouw ik mijn spullen de drie trappen af het bestelbusje in. De aangelengde whisky laat ik achter voor mijn ex-hospita.     
(c) Frans Lasès

zondag 22 mei 2016


Breitner

Vanmiddag woon ik een lezing bij in kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae. Deze keer staat George Hendrik Breitner, schilder van onder meer verdwijnend Amsterdam, centraal. De opkomst is ongekend hoog. Ik wurm mij tussen de reeds bezette stoelen door en hoop op een zit-plaats. Uiteindelijk beland ik op de enige nog vrije kruk aan de bar achter in de zaal. Freek Heijbroek en Erik Schmitz hebben destijds een ten-toonstelling-met-boek over Breitner samengesteld en zijn naar Arti gekomen om het verhaal verder uit te venten. Afwisselend verzorgt de een de beeldprojectie, en de ander het bijbehorend commentaar. Ik zie potloodschetsen van trampaarden op de Dam en vervolgens het schil-derij waartoe deze geleid hebben. Tenminste, als ik mij ver genoeg naar links langs het hoofd van de persoon vóór mij beweeg. Probeer ik het via de andere kant, dan beneem ik mijn buurvrouw schuin achter mij het zicht. Met één bil op de kruk lukt het mij linksom én projectiescherm én causeur in beeld te krijgen. Er verschijnt een chique joffer op de brug over de Keizersgracht. De schilder heeft zijn schoonzus er model voor laten staan. Wanneer ik mijn gestaag stijf wordende nek een moment ontspan, valt mijn oog bij toeval op de ruimte aan mijn rechterzijde. Daar waar het sociëteit lid zich kan terugtrekken voor een rookmoment, wor-den op een flatscreen verrassende beelden getoond. Door de glazen schuifdeuren zie ik een totaalshot van een blanke man - slechts gekleed in een rietenrokje – met zijn enorme geslachtsdeel driftig heen en weer zwaaien. Hij lijkt een rituele paringsdans uit te voeren. Ik knipper met mijn ogen en probeer mij onthutst weer op het werk van Breitner te concentreren. Op het projectiescherm staat nu een foto van de bouwput aan de Jacob van Lennepkade. Daaruit zou later de St. Vincentiuskerk oprijzen waar ik regelmatig als misdienaar optrad. Benieuwd of de rietenrokjesman inmiddels is uitgezwaaid, kijk ik zo onopvallend moge-lijk opzij. Mijn ogen banen zich een weg langs de hoofden aan de bar. Op de flatscreen nu een halftotaal. De man is doende een geheel ont-klede vrouw te benaderen alsof het een Schotse collie betreft. Of een Duitse herderin, dat is vanuit mijn positie niet goed waar te nemen. Ik slik even. Het verwart mij. Hier is sprake van een ongelijke strijd. Ik was naar Arti gekomen voor een uur cultuur. Manmoedig besluit ik de vlese-lijke verlokkingen te negeren en mij weer op de kunst te storten. Breitner had een voorliefde voor bouwplaatsen. Hij nam het met de werkelijkheid niet altijd even nauw. Bestaande gevels situeerde hij elders. Gebouwen die hem in de weg stonden, nam hij in zijn schilderijen niet op. Ik consta-teer dat geen van de andere aanwezigen zicht heeft op de flatscreen. Vechtend tegen mijn lusten ervaar ik dat Breitner het aflegt tegen de aantrekkingskracht van het tweede scherm. Dat toont een medium two-shot van een bezweet en amechtig nahijgend koppel. Het Breitner pre-sentatie duo is aan het eind van hun voordracht gekomen. Zij bedanken de toehoorders voor de aandacht en roepen op om de tentoonstelling in het Rijksmuseum te bezoeken: Alle variaties van een meisje in kimono. Als ik naar buiten loop, blijkt het stevig te regenen. Het is fris.
(c) Frans Lasès

zondag 15 mei 2016


Vlekje

Uit #28 Kind op proef leerde ik als toekomstig vader dat je kinderen maar het beste gewoon hun zin kunt geven. Chantage ligt immers op de loer. Met dit in mijn achterhoofd nodigden wij mijn nichtjes Pauline van 7 en Saskia van 5 uit voor een logeerweekend bij ons in Hilversum. Het was in de jaren dat ik dacht er verstandig aan te doen op steenworp-afstand van de NOS te gaan wonen. Dat ik daardoor lopend naar mijn werk kon, bleek al snel het enige voordeel. Wie  zich niet professioneel met radio of televisie bezighoudt, kan dit dorp beter mijden. Almelo is er bruisend bij.                         
Onze logeetjes wisten dat hun oom bij de televisie werkte. ‘Zie je wel eens beroemde mensen?’ wilden zij van mij weten toen wij van hun huis in Amsterdam naar Het Gooi reden. ‘Elke dag,’ zei ik naar waarheid. ‘Ken je Swiebertje dan ook?’ Ik zei dat ik hem toevallig enkele dagen ervoor nog had gesproken. In die periode werd een reeks afleveringen opgenomen waarvoor ik – als een van mijn eerste opdrachten - de titelsequentie had gemaakt. Waren zij eventueel geïnteresseerd in een bezoekje aan de studio? Dat waren ze. En vonden ze het dan leuk om eens rond te lopen in de keuken van Saartje? En in de winkel van Malle Pietje? Ze reageerden dolenthousiast. In gedachten hoorden zij het zichzelf al aan hun vriendinnetjes vertellen. Bij ons thuis aangekomen, aten wij snel een broodje en vertrokken met z’n vieren richting studio.                                                                                      
Als kinderen iets willen, willen ze het stante pede. Welnu, onderweg passeerden we een landje waar een Shetlander pony zich stond te vervelen. Dat was althans de mening van de oudste. ‘Zielig voor hem, zo in z’n eentje,’ zei Pauline. En snel daarna: ‘Ik heb m’n hele leven al een keertje willen ponyrijden!’ ‘Ja, ik ook,’ riep haar zusje. ‘Mag dat Frans?’ De tijdsgeest goed aanvoelend, konden ze wat mij betreft dat oom weglaten. Ik keek mijn vrouw aan. ‘Wat denk jij? Moet kunnen, toch? Als ze dat zo graag willen.’ Ik tilde hen een voor een over het hek. Daarna sprong ik er zelf overheen. De nichtjes renden al op de pony af. ‘Ik noem hem Vlekje!’ riep Pauline. Hij was bruin met witte vlekken en had lange manen. ‘Mag ik eerst?’ vroeg Saskia. Maar het was Pauline’s idee, dus hielp ik háár in het ontbrekende zadel. Toen ze goed en wel zat, bleef het beest stokstijf staan. ‘Hij doet ’t niet!’, riep Saskia. ‘Misschien heeft hij geen zin,’ zei Pauline. ‘Natuurlijk heeft-ie zin, je moet hem alleen even aansporen,’ zei ik alsof ik er verstand van had, en ik gaf Vlekje een tik tegen zijn kont. Hierop begon het beest spontaan te lopen. Eerst langzaam, daarna sneller en vervolgens veel sneller. ‘Houd je goed vast, Pauline!’ riep ik nog. Maar dat kwam te laat. Pauline gleed van Vlekjes rug en belandde met een smak in het gras. Het volgende moment schreeuwde ze het uit van de pijn. Toen ik kwam aanrennen, kreeg ik de schrik van mijn leven. Het bebloede spaakbeen van haar onderarm stak naar buiten, net iets boven de pols. Ik voelde mij intens misselijk worden. Een gecompliceerde botfractuur, twee krijsende kinderen, een inmiddels weer stilstaande en zich van geen leed  bewuste pony. Schuld, schaam-te, onmacht. En daarbij een verwijtend kijkende echtgenote. Waar te beginnen? Eerst naar de dokter of beter eerst mama bellen? In een telefooncel draaide ik volkomen overstuur het nummer van mijn zus. Toen ik haar de slechte tijding bracht, vroeg ze op nuchtere toon: ‘Maar zij leeft nog wel?’ Dat was inderdaad het geval. ‘Nou, dan zal het wel goed komen.’ Mijn zus had er als verpleegkundige voor doorgeleerd, en zij heeft dan ook gelijk gekregen. Maar tussen mij en pony’s is het nooit meer wat geworden.
(c) Frans Lasès

zondag 8 mei 2016


Gekantelde blik

Wanneer ik bij de geldautomaat naast de hoofdingang van Artis aankom, houden ze er de wacht. Dat geeft mij een veilig gevoel. Het kan ook zijn dat ze mij staan op te wachten en mij expres laten voorgaan. In dat geval ben ik er niet helemaal gerust op. Ze zijn met z’n tweeën, manne-tje en vrouwtje. Eigenlijk spreek je in dit geval van woerd en eend. Hij met zijn felgekleurde groene kop, wit nekbandje, bruine bef en verder grijs/bruin met witte staart. Zij in stemmig bruin met precies zo’n staart. Al snel wordt mij duidelijk dat zij niets kwaads in de zin hebben. Sterker nog, zij schenken in het geheel geen aandacht aan mijn verrichtingen. Ze hebben vooral oog voor elkaar. Ongestoord berg ik mijn bankpasje en de zojuist geïncasseerde bankbiljetten op. Als ik wegloop, zet ook het stel zich in beweging en waggelt de andere kant op.
Later die middag passeren wij elkaar op de Nijlpaardenbrug, de ophaal-brug voor fietsers en voetgangers bij het Entrepotdok. Ik rechts, het onafscheidelijke koppel links en op korte afstand achter elkaar. Heel even heb ik de neiging hen te groeten. Ze lijken in het geheel geen haast te hebben. Ik geef ze geen ongelijk. De lentezon schijnt alsof het zomer is en vanaf de brug hebben zij een prachtig zicht op het water en de historische pakhuizen erlangs.
De volgende dag kom ik – nu in gezelschap van mijn vrouw - op weg naar filmhuis Kriterion langs café/restaurant Koosje. Tot mijn verrassing zie ik het stel vlak onder het openstaande keukenraam zitten. ‘Kijk,’ zeg ik, ‘dat zijn die twee waarover ik gisteren vertelde.’ We stoppen even en amuseren ons met het opmerkelijke tafereel. Gevangen in één blik zie ik zowel het verliefde paar onder het raam als de chef-kok in de keuken. Associërend zeg ik: ‘Die eenden zitten natuurlijk te wachten tot hun moment daar is en zij door de kok naar binnen worden geroepen.’ Ja, het spijt me. Ik kan het niet helpen. Dit is wat spontaan in mij opkomt. Mijn vrouw, die het verband ook legt, laat weten: ‘O, ik dacht: die zitten natuurlijk te wachten tot ze van de kok iets te eten krijgen.’ Dat verschil in benadering, wat is dat toch? Een mannendingetje? Mannen willen nog wel eens de ironische bril opzetten. Zijn zij bevreesd voor de lyriek en kiezen zij daarom voor de veilige satire? Er komt een man van gevor-derde leeftijd aangelopen, uit het café zo te zien. Het is iemand van wie ik niet direct verwacht dat hij aandacht heeft voor de eenden-idylle. Hij komt erbij staan. ‘Fantastisch hè, die beestjes. Die hebben het fijn samen. Ik zie ze vaker hier in de buurt scharrelen. Altijd met z’n twee-tjes. Lief hè.’ En terwijl hij doorloopt: ‘Dieren halen geen rottigheid uit, zoals mensen.’ Mannendingetje? Ik ga ineens twijfelen. Het zou natuur-lijk ook mijn eigen gekantelde blik op het waarneembare kunnen zijn.
(c) Frans Lasès

zondag 1 mei 2016


Romantiek in Brugge

Vele jaren geleden was ik voor mijn werk enkele dagen in Brugge. Sindsdien ben ik er niet meer terug geweest. Vanwege mijn  goede herinneringen aan dat bezoek, besluiten mijn vrouw en ik er eens een weekend door te brengen. En zo zitten we enkele dagen later aan een cappuccino op de Markt. Ik constateer dat Pieter de Coninck en Jan Breydel nog stevig op hun voetstuk staan. Ooit begonnen zij de volks-opstand die tot de Guldensporenslag zou leiden. In de Onze Lieve Vrouwe Kerk bewonderen wij de Madonna-met-Kind van Michelangelo. Vervolgens beklimmen wij alle 366 traptreden in de Belforttoren. Als loon na werken krijgen wij een prachtig uitzicht over de historische stad. Omdat Brugge het Venetië van het noorden wordt genoemd, willen wij er ook vanaf het water een blik op werpen. Aan het Huidenvettersplein stappen we voor een tochtje over de reien - wij zeggen kanalen - in een open boot. Ter linker- en rechterzijde van het gangpad zijn twee-persoonsbankjes aangebracht. Ze lijken alle reeds geheel of half bezet, maar wij vinden het laatste vrije bankje. Ikzelf zit stuurboord, direct aan het gangpad. De na ons komende stellen worden nood-gedwongen opgedeeld. Zij moeten plaatsnemen op bankjes waar al iemand zit. Door drukte verloopt het inschepen nogal chaotisch. Als uiteindelijk iedereen een zitplaats heeft, kan de boot vertrekken. Recht voor mij zit een man van middelbare leeftijd. Zijn vrouw heeft op het bankje achter mij plaatsgenomen. Half over zijn schouder kijkend zegt de man dat we langs de Vismarkt varen. Kennelijk is hij in de veronderstelling dat het zijn vrouw is die vlak achter hem zit. En even later merkt hij op dat hij van het boottochtje geniet en dat het wat hem betreft nog uren mag duren. Om de man niet in verlegenheid te brengen, neem ik mij voor er niet op te reageren. Ter hoogte van het Sint Janshospitaal legt hij plotseling zonder om te kijken zijn hand liefdevol op mijn linkerknie. Ervan uitgaand dat de man het misverstand op zeker moment zelf zal ontdekken, onderneem ik geen actie. Als hij echter zijn hand niet terugtrekt, stoot ik mijn vrouw aan en wijs haar op de ontstane situatie. Haar ogen worden groot van ongeloof. Even later geeft de man een stevige kneep in mijn knie. Met zijn andere hand wijst hij naar de Poortersloge en vertelt hij dat ze daar zojuist nog wandelden. Zijn hand laat hij al die tijd op mijn knie rusten. Af en toe word ik zelfs liefkozend over mijn bovenbeen gestreeld. Ik krijg er zachte tikjes tegen wanneer er op iets geattendeerd moet worden. Hoe absurdistisch en hilarisch ik het tafereel ook vind, echt comfortabel voel ik mij niet in deze toestand. Mijn vrouw daarentegen doet haar uiterste best niet in proestend lachen uit te barsten. Maar telkens opnieuw wordt haar blik als vanzelf naar knie en hand getrokken. Als we het eindpunt bereiken, staat de man op en draait zich om naar mij. Zelden had ik het meer met iemand te doen dan op dit moment. Hij straalt achtereenvolgens ontzetting, verwarring en bovenal gêne uit. Een interessante opdracht voor leerlingen van de toneelaca-demie. Wij wisselen geen woord met elkaar. Als de vrouw mij passeert om zich nietsvermoedend bij haar man te voegen, zie ik dat zij net als ik een zwarte lange broek draagt.
(c) Frans Lasès

zondag 24 april 2016


Inhaken

Gedurende zevenenzestig jaar had hij zijn hart afgebeuld. Mijn vader werkte zich als geen ander een slag in de rondte voor zijn megagezin. Daarbij was hij zeer emotioneel van aard. Een hartinfarct had hij ter-nauwernood overleefd. Nog herstellende ervan bleek een tweede infarct te veel gevergd van het overbelaste orgaan. Voor een gevecht op leven en dood was hij opgenomen in het toenmalige Amsterdamse Binnen-gasthuis.
Als vaste stoffeerder van Het Concertgebouw had hij in de loop der jaren onder meer alle zaalstoelen van nieuwe bekleding voorzien, tapijt gelegd in diverse foyers, en de wanden van solisten- en directiekamers behangen. Aan mij de eer hem regelmatig hierbij te assisteren. Op enig moment waren de gordijnen aan vervanging toe. Op het podium, in de zaal en in de centrale foyer, ze moesten er allemaal aan geloven. Mijn vader had de grote opdracht - hij voerde een eenmanszaak - kort voor de fatale gebeurtenis aangenomen. Zijn naderend levenseinde gooide echter roet in het eten, waardoor het van realisatie niet zou komen. Op zijn sterfbed maakte hij zich hierover grote zorgen. Niet alleen zag hij het als ontrouw jegens Het Concertgebouw, ook zou hij er onze achter-blijvende moeder financieel mee duperen. Om hem van die zorgen te verlossen, zegden wij als zonen en dochters toe de klus te zullen klaren. Hierdoor, en wellicht door zijn rotsvast geloof in een hiernamaals, is mijn vader alsnog vredig ingeslapen.
De consequenties van die belofte hadden wij echter op het moment suprême in het geheel niet overzien, zo bleek toen wij ons op het werk stortten. Niet alleen moesten wij als de erven Lasès tientallen sets drieënhalve meter lange velours gordijnen leveren, gevoerd en wel, elke set moest ook nog eens worden bekroond met een klassiek geschulpte gordijnkap, bekleed met dezelfde stof. Daar zaten wij dan als non/vroedvrouw, promotor, verpleegkundige, vroedvrouw, banketbakker, televisievormgever, onderwijzeres, hovenier, apothekersassistente en middelbare scholier. Maar waar een wil is, is een weg. Heilige belofte maakt heilige schuld. Er werd een inventarisatie van de werkzaamheden gemaakt. Maten genomen. Balen bordeauxrode gordijnstof werden besteld en een vracht aan meubelplaat in huis gehaald. Elk vrij uur besteedden de meisjes aan het knippen en in elkaar naaien van de gordijnen. De jongens ontfermden zich ’s avonds en in het weekend over de kappen. Nadat ik zwierige bochten en bogen op de planken had getekend, hanteerde mijn oudere broer de decoupeerzaag. Hierna volgden het aanbrengen van een molton onderlaag, het met voeringstof bekleden van de binnenkant, en met velours van de buitenkant. Als finishing touch werden de contouren afgezet met rood galon, geleverd door ‘van de Kerkhof Passementen en Fournituren’. Na een maand was het thuiswerk gedaan. Tot zover zou onze vader zondermeer trots op ons zijn geweest. Restte nog de montage en ophanging in Het Gebouw, zoals hij Het Concertgebouw steevast noemde. Toen wij hiervoor een afspraak wilden maken met de opdrachtgever, informeerde deze naar de brandveiligheid van de gordijnen. Eerlijk gezegd hadden wij dit aspect geheel over het hoofd gezien. Niettemin lieten wij weten dat hierin was voorzien. Wonderwel lukte het ons een bedrijf te vinden dat op korte termijn de gordijnen alsnog met een brandvertragend middel kon behandelen. Toen ook dat varkentje was gewassen, stond niets een geslaagde afronding van het project nog in de weg. Zo dáchten wij. Want toen wij na het aanbrengen van de kappen de gordijnen wilden inhangen, bleken deze tot onze niet geringe schrik niet tot op de grond, maar tot ruim erboven te reiken. Het scheelde weinig of ook wij hadden aan den lijve ervaren wat een hartinfarct met iemand doet. Het impreg-neerbad had niet alleen de kans op brand verkleind, maar ook de gordijnstof zelf. Resultaat: vijftien centimeter krimp. Werden wij gestraft voor onze goedbedoelde overmoed? Hoe dit te melden aan de op-drachtgever? Wij zaten met de handen in het haar. Bij ontstentenis van Tom Poes verzon ikzelf een list. ‘Als we de gordijnen nu eens, in plaats van rechtstreeks aan de railrunners te bevestigen, aan vijftien centimeter lange tussenhaken ophangen,’ opperde ik. ‘Daarmee compenseren wij het tekort, terwijl de sierlijke kappen ons falen aan het zicht onttrekken.’ Na aanvankelijke scepsis moesten de broers en zussen toegeven dat dit een bruikbare oplossing bood. De gordijnkappen hadden ons gered. Wel vraag ik mij bij ieder bezoek aan Het Concertgebouw af of het aan mij te zien is.
FransLasès                                                                                                                                                              

zondag 17 april 2016


Andy

Nieuwe afdelingshoofden willen nog wel eens frisse ideeën hebben.    Zo ook Willem Hillenius kort na zijn aantreden in 1980 bij NOS Grafisch Ontwerp. Eens in de maand, zo stelt hij voor, mogen de verschillende teams bij toerbeurt een filmavond verzorgen voor de collega ontwerpers. Mijn team valt de eer te beurt het spits af te bijten. Recalcitrant als wij zijn, besluiten wij Andy Warhol als filmregisseur centraal te stellen. The Couch (1964), wellicht zijn meest spraakmakende film, lijkt ons voor de gelegenheid een geslaagde keuze. Meteen maar de toon zetten. Tot zover niets aan de hand. Denken wij. Wat wij ons niet gerealiseerd hebben: van deze 16 mm film bevindt zich geen exemplaar in Neder- land. Alleen het MOMA en The London Film Museum beschikken over een kopie. Het lijkt ons het handigste om de Londense te lenen. Shipping? No way! krijgen we te horen. Na dagen van overleg - zowel intern in het museum, als met de verzekeraar, als met ons - komt het verlossende woord uit Londen. De filmrol mag voor deze ene projectie heel even het land uit, mits continu bewaakt door een meereizende museummedewerker. Huur, verzekering, reis- en verblijfkosten komen voor rekening van de huurder. Pardon? Met lichte schroom brengen wij ons  afdelingshoofd de onverwachte tijding. Nu wil het geval dat in de jaren tachtig de bomen tot in de hemel reiken, dus krijgen wij na wat overtuigingswerk het groene licht.
Een week later stapt een Londense museummedewerker met de waardevolle bagage op de trein. In Sheerness neemt hij de nachtboot naar Vlissingen en stapt vervolgens op de trein naar Hilversum. Ruim op tijd arriveert hij in het NOS Hoofdgebouw. Tot het moment van aanvang laat hij de film geen seconde onbeheerd. De man waakt erover alsof het zijn kind is. ’s Avonds in het filmzaaltje legt hij de film in de projector en wijkt niet van zijn plaats ernaast. Wanneer de collega’s het bewierookte zaaltje betreden, komen zij gelijk in de juiste sfeer. Aan de wanden hangen grote zwart/wit portretten van Warhol en enkele stills uit zijn films. Naast de katheder staat een meer dan manshoge groene fles Andy Allesreiniger opgesteld, als eerbetoon gemaakt door de collega’s van de decorafdeling. Drugsgebruik is echter niet toegestaan, kinder-achtig. Ik houd mijn inleidend praatje en wens mijn gehoor een aangename voorstelling. Hierop verlaat de fles  Andy – waarin zich een stagiair bevindt – geheel in stijl het zaaltje, de aanwezigen in verwarring achterlatend. Op teken start de museumman hoogstpersoonlijk, want één van de voorwaarden, de projectie. Wat de nietsvermoedende collega’s te zien krijgen, doet hun wenkbrauwen fronsen en hun oren gloeien. De ruim vijftig minuten durende zwijgende zwart/wit film toont ‘wellustige hoogstandjes’, uitgevoerd op een bank in The Factory. Beroemde Underground figuren als Baby Jane Holzer, Allen Ginsberg en Taylor Mead geven acte de présence. Al na enkele minuten wordt duidelijk dat er noch van enige plotontwikkeling noch van dialoog sprake is en zal zijn. Het aanwezige publiek begint zich merkbaar ongemakkelijk te voelen. Vijftig minuten kunnen dan lang duren. De ruimte voortijdig verlaten, zou gezichtsverlies betekenen, dus houdt iedereen tanden-knarsend dapper vol. Als het verlossende licht aangaat, verlaten de collega’s met een weeïg gevoel in de onderbuik het zaaltje. De museum-man bergt de film weer veilig op. De nachtboot naar Sheerness haalt hij niet meer, dus laat hij zich per taxi naar hotel Gooiland rijden. 
Het volgende team staat voor een lastige taak. Fanfare van Bert Haanstra wellicht …?
(c) Frans Lasès

zondag 10 april 2016


Fietskettingreactie


Ze zullen alle vier begin twintig zijn. Twee jongens en twee meisjes. Studenten schat ik. Ze eten pizza’s bij de buurt-Italiaan. Het zou feitelijk juister zijn te spreken van de buurt-Turk, maar omdat er uitsluitend Italiaanse gerechten op de kaart staan en nummers als ‘O sole mio’ en ‘Arrivederci Roma’ worden gedraaid, houd ik het op de buurt-Italiaan. Aan alles is te merken dat de vier zich kostelijk vermaken. Als hun borden leeg zijn en worden afgeruimd, bestellen drie van hen een cappuccino. Een van de twee meisjes staat op van het tafeltje. Zij moet eerder weg. Met een vluchtige kus groet zij haar vrienden, pakt haar jas van de kapstok en verlaat het restaurantje. De drie achtergeble-ven tafelgenoten roeren in hun cappuccino’s en praten er vrolijk op los. Niet lang erna komt het vertrokken meisje ontdaan terug en loopt naar het tafeltje waaraan zij even ervoor heeft gezeten. Daar vertelt zij haar vrienden dat, toen zij op haar fiets wilde wegrijden, de ketting eraf schoot. Zij wendt zich nu tot een van de jongens in het bijzonder. Of hij misschien het probleem zou willen verhelpen. Hij zegt dat hij daar in het  geheel geen zin in heeft. Ook de andere jongen laat weten er niets voor te voelen. Ze zitten juist lekker aan de koffie. Teleurgesteld loopt het meisje weer naar buiten. Met enige moeite zet zij de fiets ondersteboven op het trottoir. De eerste stap is gezet, maar hoe nu verder? Ze inspecteert de ketting aandachtig en beweegt het pedaal een stukje heen en weer. De jongens kijken vanaf hun tafeltje naar buiten en slaan het tafereel geamuseerd gade. Hierop staat het achtergebleven meisje op. Ze trekt de capuchon van haar sweater over haar hoofd, slaat een sjaal om – het is behoorlijk guur voor een lenteavond - en loopt naar buiten. Daar biedt zij haar hulp aan en gaat voortvarend aan de slag. De jongens aan het tafeltje bestellen beiden een cognac en kijken besmuikt naar de reparerende meisjes. Die tillen na enkele minuten de fiets terug op zijn wielen en geven elkaar een high five. Dolgelukkig stapt het meisje weer op haar fiets en rijdt haastig de duisternis in. Met haar elleboog opent het hulpverlenende meisje de deur en komt met vooruitgestoken kettingsmeerhanden weer de zaak binnen. Daar loopt zij linea recta naar de toiletten. De jongens nippen van hun cognac.

(c) Frans Lasès