zondag 7 januari 2018


Art sale
Waar tot kort geleden een Italiaanse boekhandel zat, is voor de komende weken een pop-up galerie neergestreken. Er wordt werk van bekende en minder bekende kunstenaars te koop aangeboden. Of ik zin heb om langs te komen, hapjes en drankjes zullen klaarstaan. Alvorens op de uitnodiging in te gaan, laat ik mijn oog langs de wanden van mijn woning glijden. Ruimte voor nog meer werk is er niet of nauwelijks. Ja, je kunt de muren van plafond tot vloer en van links naar rechts met kunst behangen, maar we gaan natuurlijk niet overdrijven. Toch besluit ik - onder het motto: ruimte beperkt, beurs te smal – er een kijkje te nemen. Het aanbod bestaat voornamelijk uit grafiek. Hier en daar een foto, een pentekening en wat Russische affiches van vóór de glasnost. Tijdens mijn rondgang kom ik werk van niet de eersten de besten tegen. Het een nogal aan de prijs, het ander inmiddels verkocht. Bij een litho van Topor en een linodruk van Kafak blijf ik langer staan. Ze fascineren mij, passen binnen de financiële mogelijkheden en zijn nog ingelijst ook. De Kafak kan ik bovendien verantwoorden met betrekking tot de beperkte wandruimte. De Topor daarentegen is er overduidelijk te groot voor. In een vlaag van hebberigheid en ‘moet kunnen’ laat ik bij alle twee een rode stip plakken. Na drie weken, tijdens de finissage (lees: hapjes en drankjes), kan ik de aankopen ophalen. Als trotse bezitter snel ik ermee naar huis waar ik onmiddellijk op zoek ga naar geschikte plekken. Tja… wil ik iets nieuws ophangen, moet er eerst iets weg. Maar ik ben nooit een kei geweest in het killen van mijn darlings. Ik pas en ik meet, let op de compositie van het geheel en wat zich wél en wat zich niet laat combineren. Eindelijk heb ik een plekje gevonden voor de Kafak. Maar dan blijkt de grotere Kamagurka, die ik er voor weghaal, in de loop der jaren een echo van fijne stofdeeltjes te hebben gevormd. Op de wand tekent zich een droevig stemmend kader van vuil af. Stofdoek en plumeau bieden geen soelaas. Kamagurka hang ik dus maar terug. Om Topor de plaats te kunnen geven die hem toekomt, zal dadaïst Hans Arp het veld moeten ruimen - ja, sorry. Maar als ik die van de wand til, komt er tot mijn schrik al net zo’n stofkader tevoorschijn. Liggend voor de verandering, terwijl de Topor een staand formaat heeft. Daarom mag ook Arp terug naar zijn plaats. Er zit niks anders op dan de recente aankopen voorlopig op te bergen. Eerst de wanden maar eens opnieuw witten, kan sowieso geen kwaad.

(c) Frans Lasès

zondag 10 december 2017

Ice tea

Ik bevind mij in ‘t Nieuwe Kafé aan de Dam in Amsterdam. Dit horeca-etablissement is tegen De Nieuwe Kerk aangeplakt en staat ermee in verbinding. Ik zit op een hoge kruk aan een hoog tafeltje en ben in afwachting van mijn afspraak. Als iemand van de bediening naar mij toekomt, bestel ik alvast een cappuccino. Op dit vroege uur zijn er nog maar weinig gasten in de zaak. Bij het raam een Italiaans gezin met kleine kinderen en aan een andere tafel een ouder echtpaar. Kennelijk tentoonstellingsbezoekers die eerst nog even iets komen drinken. Op een hoekbank iets verderop zitten een man en een vrouw. Beiden eind dertig. Ze vormen duidelijk geen stel. Terwijl zij een IPad bedient, zit hij onderuit gezakt haar vragen te beantwoorden. Typisch een interview situatie schat ik in. Ik spits mijn oren. Is het voor een tijdschrift? Voor een krant? Naarmate ik meer van het gesprek opvang, blijkt dat ik mij vergis. Zij is vertegenwoordiger van een frisdrankengroothandel, hij de bedrijfsleider van het café. De vrouw luistert belangstellend en maakt aantekeningen op de IPad. De man zegt dat het café geen onderdeel vormt van De Nieuwe Kerk en dat zij geheel zelfstandig opereren. Wel hebben zij de exclusieve levering aan De Nieuwe Kerk. Borrels, lunches, buffetten enzovoort. Het woord ice tea valt. De vrouw vertelt enthousiast over een nieuw merk dat net op de markt is. Ik merk dat ze het graag aan de bedrijfsleider zou slijten. De man wil in dat geval exclusiviteit voor de hele Dam en directe omgeving. Die kan zij hem garanderen. Uit haar tas haalt zij twee middelgrote flessen ice tea die ze op de lage tafel vóór haar zet. Ze licht toe dat het de variëteiten sinaasappel en lemon betreft. De man vraagt wat ze moeten kosten. Zij zegt dat ze de flessen voor €1,80 per stuk kan leveren. Hij knikt bedachtzaam. ‘Je haalt beslist vier glazen uit een fles,’ vervolgt de vrouw. ‘En als je er een schijfje limoen bij geeft, kun je er met gemak €3,50 of €3,60 per glas voor vragen. Zeker op deze locatie.’ Ik zie de man onbewogen hoofdrekenen. Dan schuift hij de flessen naar zich toe. ‘Probeer ze maar eens’, zegt de vrouw, ‘en drink het lekker gekoeld. Van de week laat ik glazen en stampertjes brengen.’ Als het gesprek is beëindigd, staan beiden op en schudden elkaar de hand. Voordat de vrouw vertrekt wil zij nog even naar de wc. ‘Als je langs de bar loopt,’ zegt de bedrijfsleider, ‘heb je achterin een trap naar beneden. Daar zit een toiletjuffrouw, maar als je zegt dat je met mij in gesprek was, hoef je niet te betalen.’ Triomfantelijk en overduidelijk bevoorrecht passeert ze mij. Dan arriveert mijn verlate afspraak. Doordat hij zijn trein gemist heeft, weet ik dat ik vanaf nu wel twee keer zal nadenken voordat ik een ice tea bestel.
(c) Frans Lasès

zondag 29 oktober 2017

Louter superlatieven

Ik beeld het me niet in, want ik heb het echt al een tijdje. Een lusteloos en slap gevoel, jeukende rode vlekken op mijn rug, tranende ogen, een tintelend gevoel in mijn benen. Wat is dit in godsnaam? Een vorm van allergie misschien. Maar waarom openbaart het zich nu pas? In de tweede helft van mijn bestaan. Navraag leert mij dat je op elk moment van je leven allergieën kunt ontwikkelen. Ontzettend vervelend. De plezierige kant ervan is dat ze ook zomaar kunnen verdwijnen. Maar wat heb ik daar nú aan. Huisstofmijt kan het niet zijn, hier vliegt regelmatig de bezem door het huis. Een papegaai heb ik niet en wollen kleding draag ik niet. Van mijn eet- en drinkgewoonten heb ik nooit nadelige gevolgen ondervonden. Nou ja, in elk geval niets dat als allergie kan worden uitgelegd. Al mijn gangen ga ik na, ook de kamers. Geen vaste vloerbedekking, geen donzen dekbed. Ik kom er niet achter. Dus ik naar mijn huisarts. Die is blij mij weer eens te zien, want veel verdient hij niet aan mij. Ik doe mijn verhaal en vraag hem wat hij ervan vindt. Hij krabt zich hoorbaar over zijn wang, denkt na en zegt: ‘Ik zou het echt niet weten. Ik begrijp dat het súúúpervervelend voor je is.’ Precies op dat moment komt er een gekmakende jeuk opzetten, voel ik gloeiende naalden in mijn benen prikken en lijken mijn ogen in brand te staan. Onmiddellijk wordt mij de connectie duidelijk, waarmee onbedoeld de diagnose is gesteld: ik ben hyper allergisch voor het woord super. Alles valt ineens op zijn plaats. Al weken word ik erdoor geteisterd. Super, suuuper, súúúper! De hele dag om mij heen. Op facebook, op televisie, in de huiselijke kring. Vluchten kan niet meer. Het is doorgedrongen tot in alle hoeken en gaten. De hoogleraar neuropsychologie neemt het zichzelf súúúperkwalijk dat hij zich niet aan de met God gemaakte belofte houdt. De televisiebakker heeft het over een superabsorberende cake en vindt het súúúperlekker. Alles gaat de laatste tijd super! Echt waar? Jaaa! Super! Súúúper! Men is súúúperbenieuwd. De hotelmanager zegt dat alles super onder controle is. Films zijn súúúpereng. Dingen gaan supergoed. Echt súúúpergaaf. Súúúpergênant komt ook voor. En supervochtinbrengend. Heel gezellig is het niet meer, het is nu súúúpergezellig, súúúperchill. En zaken kunnen zomaar súúúperonverwacht komen. Dan zal een ster tegenwoordig dus wel als een súúúpernova eindigen en misdienaars een súúúperplie dragen. 
Vreemd eigenlijk, met Superman heb ik geen problemen, nooit gehad. Ook niet met superbenzine, kan ik goed tegen. Ik filmde vroeger op super 8-film en ik kom geregeld in een supermarkt. Heeft niet tot lichamelijke klachten geleid. Maar ‘t is de onstuitbare wildgroei hè. Nu ik eindelijk de oorzaak ken van de symptomen, heb ik ook een remedie: telkens wanneer het woord súúúper valt, doe ik alsof er bijzonder wordt gezegd. Of fantastisch, of buitengewoon, of enorm, fenomenaal, geweldig, formidabel, grandioos, bovenmatig. Of gewoon: zeer of erg. Werkt súúúper goed!
(c) Frans Lasès
 


 

zondag 1 oktober 2017


Pearl – Pearl - Pearl

Ik schrijf dit met pijn in mijn hoofd en ogen. Dat komt, ik heb zo’n goedkoop reserve leesbrilletje van de HEMA op mijn neus. Waarom? Ga ik vertellen.
Nog altijd nemen de natuur en ik een aftastende houding aan ten opzichte van elkaar. Ik weet ook niet hoe dat komt. Je kunt moeilijk je ouders overal de schuld van geven. Maar dit is zo’n dag dat ik mij uitgenodigd voel. Een mooie zonnige nazomerzondag. Beetje heiig, maar geen vuiltje aan de lucht. Ik neem mij voor er optimaal van te genieten. Vrouw, dochter en fotocamera gaan mee in de auto. We rijden naar het Hilversumse Corversbos dat ik nog ken uit mijn televisietijd. Het is een mooi bos, met bomen en zo. Het schaarse licht dat er doorheen valt, levert foto’s op die ik een aanwinst vind voor ons familiealbum. Lang zoek ik naar kabouters, maar kom ze niet tegen. Jammer, want ik heb mij laten vertellen dat het toevallig paringstijd is. Wanneer we zo langzamerhand door de bomen het bos niet meer kunnen zien, eten we een Gooische uitsmijter bij De Jonge Haan. Dit omroep-praathuis blijkt nog gewoon te bestaan. Na de tussenstop begeven wij ons vol hernieuwde energie naar de Bussumse heide. Die ligt er na al die jaren nog net zo bij. Het paars lijkt wat minder paars, maar dat kan aan mij liggen, of aan het seizoen. We voelen ons ongegeneerd gelukkig en maken kleine sprongetjes in de heiige lucht. Alles klopt. Het enige dat nu nog ontbreekt is een hond, een witte hond wel te verstaan. Het merk doet er niet toe, als-ie maar wit is. Net als al die andere die we voor hun baasjes uit zien rennen. Ik houd het op Nationale Wittehondenuitlaatdag. Wat wij hier te zoeken hebben, zal later blijken. We fotograferen wat af en krijgen het er warm van. Zou het niet een aardig beeld opleveren als ik de trui van mijn dochter hoog in de lucht werp, om die vervolgens – precies op het dooie punt - tegen de blauwe hemel te fotograferen? En dan natuurlijk wel mooi met gespreide mouwen. Dat blijkt nog niet mee te vallen, de trui komt telkens in een prop naar beneden. Steeds opnieuw raap ik hem van de grond en gooi hem dan zo ver mogelijk de hoogte in. Eindelijk heb ik ‘m zoals bedoeld. Als ik mijn leesbril uit mijn borstzakje wil pakken om het resultaat te beoordelen, grijp ik mis. Weg bril. Hoe kan dat? Net had ik ‘m nog. Is er waarschijnlijk tijdens het bukken uit gegleden. Zoeken, zoeken, zoeken. De heide staat dan ineens heel hoog hoor, en je wilt ook niet per ongeluk op je eigen bril gaan staan. Langzaam dringt het besef tot mij door: dat wordt Pearl. Na een halfuur systematisch maar vruchteloos de omgeving afspeuren, moet ik de bril als verloren beschouwen. Het ergste van het geval is niet dat ik een week moet wachten op een nieuwe, ik heb zoals bekend zo’n HEMA-dingetje. Ook niet dat de pech mij op kosten jaagt, ik ben namelijk steenrijk. Nee, wat mij echt pijn doet, is dat de Pearl-verkoper zegt dat hij mij als pleister op de wond een cd van Jan Smit cadeau mag doen.
(c) Frans Lasès


 
 
 

 

zondag 11 juni 2017


Maestro, Musik bitte!

De legendarische Harry Bannink staat dezer dagen volkomen terecht in de schijnwerpers. Ik denk terug aan de periode dat wij elkaar met regelmaat ontmoetten. Op zijn woonboot in Loenen aan de Vecht bijvoorbeeld, in de studio of later bij hem thuis in Bosch en Duin. Hij was - onder heel veel meer - de vaste componist van tv-programma’s als De Panorama Woensdag Show, Dat ik dit nog mag meemaken, De Stratemakeropzeeshow en J.J. de Bom. Programma’s waaraan ik als videografisch ontwerper verbonden was. Ik maakte er, geïnspireerd door Terry Gilliam, animatiefilmpjes voor en deed de vormgeving van tal van liedjes.
Wie Harry Bannink zegt, zegt niet alleen Annie M.G. Schmidt, maar zeker ook Willem Wilmink. Deze laatste werd in 1979 de Kabouter van het Oosten-prijs toegekend. Ondanks zijn nog jonge leeftijd – Willem was 43 jaar oud - vond men het de hoogste tijd voor een bekroning van zijn gehele oeuvre. Ter ere van de schrijver werd een feestavond georganiseerd in de sfeervolle schouwburg van zijn geboortestad Enschede. Regisseur Frans Boelen stelde een gevarieerd programma samen met bijdragen van bevriende collega’s. Zo herinner ik mij voordrachten van onder anderen Karel Eijkman, Jan Riem en Hans Dorrestijn, en een muzikaal intermezzo door accordeonvirtuoos Harry Mooten. Ook Wieteke van Dort, Aart Staartjes en Joost Prinsen gaven acte de présence. Mij was gevraagd een komische goochelshow ten tonele te voeren. Als eenmaal bekend is dat je daar wat ervaring mee hebt, ben je al snel de sigaar. Frans Boelen, die tevens de rol van gastheer/presentator vervulde, bedacht ad hoc een artiestennaam voor mij: Professor Doktor Gerhard Gründlich. Hoe kwám hij erop? Ik vroeg Edwin Rutten mij tijdens de show te willen bijstaan. Maar dan wel graag als mijn assistente Ursula. Hij voelde zich vereerd, zo liet hij mij weten. De bij het kostuumatelier van de NOS geleende glitterjurk stond hem geweldig. Dat de ritssluiting van achteren niet helemaal dicht kon, deerde hem niet. Gewoon met het gezicht richting publiek blijven spelen. Harry Bannink himself was van harte bereid de act muzikaal te ondersteunen aan de Steinway. En daarmee voelde ik mij op mijn beurt vereerd.
Na te zijn aangekondigd, kwamen Ursula en ik in stilte het podium op. Ik zwaaide geheimzinnig met mijn goochelstaf en liet vervolgens een duif en een bos felgekleurde bloemen verschijnen. De duif overhandigde ik aan mijn charmante assistente, de bloemen gaf ik aan Willem Wilmink, die op de eerste rij zat. Applaus was mijn deel. ‘Hochgeehrtes Publikum,’ riep ik. ‘Jetzt geht’s los.’ En richting Harry Bannink: ‘Maestro, Musik bitte!’ Hierop begon deze vol overgave wonderschone achtergrondmuziek te spelen. ‘Ho stop! Aufhalten!’ riep ik na een aantal maten. Geschrokken stopte Harry met spelen. ‘Was machst du denn?’ vervolgde ik. ‘Das ist doch gar keine Musik. Das ist Gepingel.’ Harry ging verzitten, draaide wat aan de pianokruk en zei: ‘Verzeihung, Herr Gründlich’. Na enig aarzelen hervatte de maestro zijn pianospel, zo mogelijk nóg geconcentreerder en gevoeliger dan ervoor.
Mede dankzij hem werd de goochelshow een succes. En tot mijn geruststelling kon Harry smakelijk lachen om mijn spontane, maar gewaagde interruptie. Het is niet alleen tekenend voor zijn grootse bescheidenheid, het zegt ook iets over zijn gevoel voor humor.
(c) Frans Lasès      

zondag 28 mei 2017


Traag en van zeer nabij

Er zijn bezigheden die ik bij voorkeur met z’n tweeën beoefen. Of met meer, net hoe het uitkomt. Genoeglijk in mijn eentje naar een restaurant of café? Ik moet er niet aan denken. Met iemand afspreken heeft overduidelijk mijn voorkeur. In gezelschap van een vriendelijk persoon een concert bezoeken? Ik kan het iedereen aanraden. Getweeën een film of theaterstuk gaan zien, wil beslist nog wel eens aangenaam zijn. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd, en samen uit, samen thuis. Maar… mocht u ooit op het idee komen mij mee te vragen naar een museum of tentoonstelling, dan moet ik u toch ernstig teleurstellen. Doe het niet, geen lol aan te beleven. Ik spreek uit ervaring. Stel dat we in de ochtend zouden gaan, dan zou u al lang en breed aan uw tweede cappuccino zitten, terwijl ik pas halverwege mijn rondgang was. Hadden we gekozen voor de middag, weet ik zeker dat u tegen sluitingstijd ongeduldig met mijn jas en hoed in de hand zou staan te wachten.
Wat is er mis met mij? Op de eerste plaats ben ik tergend traag. Ik heb de onhebbelijke gewoonte voor ieder schilderij, tekening of welk kunstobject ook, meer dan gemiddeld veel tijd uit te trekken. Ik wil het langdurig op mij laten inwerken, het compleet beleven. Wat zie ik? Hoe is de penseelvoering? Wát een trefzekere lijn! Ik lees de integrale tekst op de bijschriften: titel, data, naam van de kunstenaar, gehanteerde techniek. Regelmatig zie ik bezoekers als krantenkoppensnellers door een tentoonstelling jagen. Veelal luidruchtig pratend en/of selfiegraferend. Het is mij een gruwel, maar dit terzijde. Tja, en dan heb ik nog een andere afwijking. Eentje die u maar in verlegenheid zou brengen: de intensiteit waarmee ik kijk. Eigenlijk kun je het geen kijken meer noemen. Het liefst wil ik een kunstwerk - met één van mijn neusgaten dichtgehouden – in zijn geheel opsnuiven. Van links naar rechts, van boven naar beneden en vervolgens diagonaal. Dat gaat helaas tegen de huisregels in, zo merkte ik laatst toen ik het deed. Onmiddellijk kreeg ik een vermaning van de suppoost naar mijn hoofd: Een halve meter afstand bewaren alstublieft. Hij attendeerde me daarbij op een in de parketvloer ingelegde koperen lijn. Ik keek naar beneden omdat ik benieuwd was hoe mijn schoenen stonden ten opzichte van de betreffende lijn. Maar die gedroegen zich keurig. Geen kwaad woord erover. Waar ging ik dan in de fout? Tot dan toe ben ik er altijd van uitgegaan dat met die halve meter de afstand van schoenpunt tot wand wordt bedoeld. Maar nu blijkt ineens mijn neus de boosdoener. Die heeft zich keer op keer in verboden gebied begeven, in het vacuüm tussen mij en de kunst. Wat moet ik nou? Zonder bril zie ik niet eens dat ik in een museum ben. Met leesbril kan ik maar tot veertig centimeter scherp zien. Is de afstand groter – zoals bij de verlangde vijftig centimeter - wordt het wazig voor mijn ogen. Er zit dus maar één ding op: een extra bril laten maken, eentje op museumsterkte.
(c) Frans Lasès



zondag 14 mei 2017


Tafelkleding

Leonardo da Vinci was niet gek. Werkend aan Het Laatste Avondmaal had hij natuurlijk ook kunnen denken: Voor zo’n karige maaltijd ga ik niet officieel dekken. Ik slinger wel eventjes dertien placemats op tafel. Nee, Leonardo begreep dat het een sociaal gebeuren betrof en dat gepaste tafelkleding vereist was. Mits genoten aan een feestelijk aangeklede tafel veranderen oud brood en slobberwijn als een wonder in delicatesse en grand cru. Iedere zichzelf en zijn gasten respecterende gastheer drapeert een kleed over de eettafel alvorens servies en bestek te plaatsen. Zo kan een wit damasten laken de basis vormen voor een onvergetelijke dinerervaring. Terwijl het gebloemde plastic tafelzeil van moeder Ali een kleverige getuige blijkt te zijn van een tijd waarin jan en alleman onaangekondigd aan tafel kon aanschuiven.
Ben ik ergens uitgenodigd voor een etentje en krijg ik zo’n fijne functionele placemat voor mijn neus, heb ik al gegeten en gedronken. Weg trek, weg humeur. Liever nog eet ik - staand aan het kale aanrecht - in mijn eentje, dan dat ik mij onderwerp aan het joggingpak onder de tafelkleding. Dat je niet met z’n allen je mond afveegt aan één en hetzelfde servet snap ik wel, maar waarom mogen we niet van een gezamenlijk tafelkleed eten? Kennelijk moet ook aan tafel ons territorium worden afgebakend: Blijf uit mijn buurt, hier eet ik! Naar verluidt plaatst de Duitse gastvrouw/-heer tegenwoordig miniatuurcornervlaggetjes op de placemats. Zelfs in de meest troosteloze stationsrestauratie tref ik geen eetmatjes aan. Daar is gekozen voor gedistingeerd ogende roze lakens, quasi klassiek afgedekt met een contrasterend topkleedje. En bij mijn stam-Chinees ligt altijd een smetteloos wit papierdamasten kleed op mijn tafeltje-bij-het-raam.
Voor de eetcultuurbarbaren hierbij wat tips. Naast de u zo vertrouwde, maar lastig schoon te houden raffia- en hennepmatjes is er nog veel meer fraais te genieten. Wat te zeggen van de hittebestendige serie die Beck ontwerpt voor de firma Alkor. Gestanst uit glanzend vinyl (bloemen, vruchten en schelpen) vormen de matjes een modieus en afwasbaar stukje gezelligheid op de zondagse eettafel. Voor door-de-week zijn er de theedoekmotieven uit de serie ‘Prestige’. De lijn ‘Noblesse’ gaat goed met de nieuwste cd van André Rieu. Bent u een liefhebber van Brussels kant, dan kiest u voor ‘Madeira’, honderd procent zuiver PVC. Voor alle hier genoemde artikelen geldt: met een vochtige zachte doek afnemen en beslist geen schuurmiddelen gebruiken. Exclusief voor de eetkeuken van Patty Brard ontwierp Bright of America zwaar geplastificeerde placemats voorzien van jachttaferelen, eeuwigdurende droogboeketten en tropische zangvogels. Het Amerikaanse Conimar vergeet ook de honden- en kattenliefhebber niet. Zo is de Pet-Mat bijzonder praktisch, nooit meer geknoei op baasjes vaste vloerbedekking. De directie belooft bij voldoende belangstelling ook Pet-Napkins in productie te nemen.
(c) Frans Lasès